Cybercrime jurisprudentieoverzicht – juli-augustus 2019

“Een webshop voor drugs!”

Met een vonnis “nieuwe stijl” heeft de rechtbank Rotterdam op 16 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:5630) voor drugshandel via het darkweb en het aanwezig hebben van de illegale handelsvoorraad. De verdachte heeft naar schatting meer dan 500 kg drugs verkocht en miljoenen omzet gehad. De bedenker, organisator en leidinggevende van het “bedrijf” krijgt zeven jaar gevangenisstraf opgelegd. In een afzonderlijk ontnemingsvonnis wordt bovendien ruim 1 miljoen euro afgenomen.

Het vonnis in deze zaak is op een nieuwe manier opgebouwd. Direct wordt een samenvatting van de zaak gegeven en de lezer kan aan de hand van een leeswijzer snel naar het hoofdstuk gaan waar de interesse naar uitgaat.

Als voorbeeld van deze nieuwe stijl is de nieuwe kop ‘Illustratie’ in het vonnis aardig om te lezen:

“Een webshop voor drugs! De overeenkomsten in de bedrijfsvoering tussen legale internetgiganten en de darkwebwinkel in hard- en softdrugs van de verdachte dringen zich op. Ook in zijn ‘internetbedrijf’ met meerdere ‘medewerkers’ was het iedere dag raak met online bestellingen, inpakken, verzending, levering, planning en voorraadbeheer. Het assortiment was groot. Bijna iedere populaire drug en zelfs grondstoffen voor drugs waren met één klik te bestellen en met PostNL zo bij je in huis. Ongewild en ongemerkt werd PostNL zo een internationale distributeur van Nederlandse drugs.

Nieuw arrest over doorzoeken van gegevens op smartphone

In een nieuw arrest (ECLI:NL:HR:2019:1079) over de rechtmatigheid van onderzoek aan een smartphone van 9 juli 2019 herhaalt de Hoge Raad het beoordelingskader over onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken uit het smartphone-arrest (ECLI:NL:HR:2017:584).

In deze zaak was de gehele inhoud van de mobiele telefoon van de verdachte en de bij die telefoon behorende SD-kaart gekopieerd en veiliggesteld voor nader onderzoek. Tijdens het daaropvolgende onderzoek zijn alle foto’s en video’s onderzocht. Het Hof Arnhem-Leeuwarden vond dat “de politie selectief is geweest in het onderzoek aan de telefoon”, maar de Hoge Raad gaat daar niet in mee en acht dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het verweer dat vervolgens tot bewijsuitsluiting moet worden overgegaan, volgt de Hoge Raad niet en verwerpt dit verweer.

Persoonlijk vind ik het nogal wiedes dat een onderzoek aan ‘alle foto’s en video’s’ niet “selectief” is en meer dan geringe inbreuk op het recht op privacy met zich meebrengt. Maar goed, de waardeoordelen van rechters m.b.t. het recht op privacy en onderzoek aan smartphones verbazen mij helaas wel vaker..

Bewijs van Google en telecommunicatie

In een opmerkelijke moordzaak is een vrouw op 11 juli door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld (ECLI:NL:RBNNE:2019:2986) voor de moord op haar man. De zaak is interessant, omdat de zaak sterk leunt op digitaal bewijs afkomstig uit de mobiele telefoon van de verdachte en het slachtoffer. Journalist Huib Modderkolk heeft over deze zaak een leuk artikel in de Volkskrant geschreven.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op haar echtgenoot, vader van hun drie jonge kinderen. Het slachtoffer is doelbewust naar een weiland gelokt waar hij is doodgeslagen met een hard voorwerp. Uit de bewijsoverwegingen blijkt uit onder andere telecomgegevens en de gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Google-account van de verdachte, dat zij op het moment van de moord vlakbij het delict worden gelokaliseerd (een weiland ter hoogte van de Bûterwei). Uit de gegevens van het Google-account van het slachtoffer kon een telecomdeskundige precies het moment afleiden waarbij de mobiele telefoon in beweging was en later tot stilstand kwam (vermoedelijk door de klap met het een hard voorwerp), bij het weiland waar het slachtoffer later is gevonden.

De verdachte heeft het slachtoffer met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd. Zij heeft volgens een vooropgezet plan het slachtoffer naar de Bûterwei laten komen, zij heeft hem daar ontmoet en is met hem het weiland ingelopen, waar hij vervolgens op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot de gevorderde gevangenisstraf van 20 jaar.

Rechtbank laat opnieuw gebruik Ennetcom-data toe

De rechtbank Gelderland heeft op 26 juli 2019 een verdachte 15 jaar gevangenisstraf opgelegd voor moord. De uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2019:2833) is interessant, omdat in deze zaak (wederom) wordt geoordeeld dat de politie en het openbaar ministerie gebruik mogen maken van bewijs op de server van ‘Ennetcom’, waarop verstuurde berichten met ‘PGP-telefoons’ zijn bewaard waarvan criminelen veel gebruik maakten. In deze duidelijke uitspraak overweegt de rechtbank iets uitgebreider welke wettelijke regeling voorhanden is.

De rechtbank stelt ‘met de verdediging en de officieren van justitie vast dat het Wetboek van Strafvordering, noch enige andere wet, een procedure kent tot het afgeven van een machtiging, zoals door de Canadese rechter wordt geëist’ voor het onderzoeken van de gevorderde gegevens. De Canadese rechter had eenvoudig gezegd als voorwaarde bij het verstrekken van de gegevens aan Nederland opgenomen dat als de gegevens ook voor andere opsporingsonderzoeken worden gebruikt, daarvoor een Nederlandse rechter een machtiging moet geven. Het openbaar ministerie heeft ervoor een gekozen de rechter-commissaris deze mogelijkheid te geven op grond van artikel 181 jo artikel 179 Sv. Voor de inhoudelijke toetsing van de vordering heeft de rechter-commissaris aansluiting gezocht bij artikel 126ng Sv, de bepaling die een vordering van opgeslagen gegevens bij aanbieders van elektronische communicatieaanbieders mogelijk maakt. De rechtbank gaat hiermee akkoord, mede omdat zulke zware voorwaarden gelden voor de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid en deze als waarborg fungeren.

De verdediging stelt dat de rechten van de verdediging in het kader van een recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet voldoende worden gerespecteerd, omdat zij (1) niet alle informatie over de gebruikte technieken hebben ontvangen, (2) de belangrijkste getuige over de technische aspecten niet heeft kunnen bevragen en (3) een ‘wezenlijke informatieachterstand’ had bij het horen van verbalisanten en getuigen.

De rechtbank reageert hierop door voorop te stellen dat ‘verdediging geen onbeperkt recht heeft op het ontvangen van alle informatie waarom zij verzoekt. Slechts die informatie die relevant is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing moet in het dossier worden gevoegd’. De rechten van de verdediging zouden wel voldoende zijn nagekomen, omdat naast het strafdossier ook relevante stukken uit het desbetreffende onderzoek ‘26DeVink’ zijn verstrekt, alle beschikbare Ennetcom-data over de door de politie aan verdachte toegeschreven e‑mailaccounts op cd-rom hebben verstrekt en de verdediging in de gelegenheid is gesteld zelf onderzoek te doen in de datasets.

Veroordeling bommelding Amsterdam CS en bezit hacksoftware

Het Hof Amsterdam heeft op 23 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:2749) voor valse bommelding op het Centraal Station van Amsterdam, bedreiging, creditcardfraude (voor slechts 40 euro) en het voorhanden hebben van hacksoftware. De minderjarige verdachte krijgt voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opgelegd en houdt daarmee de opgelegde straf van de rechtbank Amsterdam in stand. Het Hof overweegt daarbij de valse bommelding onnodig veel politiecapaciteit heeft gekost en gevoelens van angst en onveiligheid inde maatschappij heeft veroorzaakt.

In de onderliggende uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2019:117) zijn meer interessante feiten te vinden. De verdachte heeft via een gehackt Facebookaccount de volgende melding geplaatst:

“Vandaag om 1 uur zal Amsterdam Centraal niet meer staan en zullen alle mensen die er bij waren niet meer onder ons zijn. NOS Politie Amsterdam er zullen vershillende (sic!) explosieven tot ontploffing worden gebracht.”

Via het Facebookaccount kon het IP-adres worden achterhaald waarvandaan het bericht was geplaatst. De naam en adresgegeven van de abonneehouder bij KPN zijn gevorderd en op basis van die informatie heeft huiszoeking plaatsgevonden. Via het Facebookaccount kon het IP-adres achterhaald worden, waar vanaf het bericht was geplaatst. De naam en adresgegeven van de abonneehouder bij KPN zijn gevorderd en op basis van die informatie heeft een huiszoeking plaatsgevonden.

Op de harde schijf van de verdachte is het programma ‘Havij’ gevonden, een zogenoemd ‘SQL-injectietool’ waarmee de zwakheden in databases van websites zijn op te sporen. Boeiend is om te lezen dat op een Lenovo-laptop een IP-adres is gevonden in een snapshot-bestand van de applicatie ‘Virtual Box Virtual Machine’ en in de verwijderde bestanden geïnstalleerde software aangetroffen van onder meer programma’s waarmee anonieme VPN-verbindingen opgezet kunnen worden, programma’s waarmee een virtual machine kan worden benaderd, en het programma Havij. De stelling dat een andere dan de verdachte van de laptop gebruik maakte acht de rechtbank, zonder nadere motivering, vond rechtbank onaannemelijk.

Het waren “de Russen”

Op 30 juli 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBOBR:2019:4412) voor bedreiging, oplichting, valsheid in geschrift en computervredebreuk. De verdachte heeft twee bedrijven voor ruim 560.000 euro opgelicht. De zaak is vooral interessant vanwege het spraakmakende (hack)verweer van de verdachte.

Via het computersysteem van het bedrijf heeft de verdachte de gegevens in facturen aangepast. Daarna werd een bedrag van €561.578,81 euro op verdachtes bankrekening gestort, terwijl het slachtoffer in de veronderstelling verkeerde dat zij dit bedrag aan een ander bedrijf overmaakte. De verdachte heeft dit geldbedrag vervolgens naar meerdere op zijn naam gestelde bankrekeningen overgemaakt. Vanaf die rekeningen heeft hij een deel van dit bedrag naar bankrekeningen van in totaal 26 personen doorgesluisd. Het ging hierbij telkens om een bedrag van om en nabij € 10.000,-. De verdachte had deze personen van tevoren benaderd en gevraagd of hij tegen een vergoeding geld kon laten storten op hun bankrekeningen. De derden mochten dan € 1.000,- à 1.500,- van het bedrag houden en het overige moesten zij van de rekening halen en contant aan verdachte teruggeven. Deze modus operandi is voldoende om van een verhullingshandeling in de zin van witwassen te spreken.

De verdediging beweert dat twee Russen de handelingen hebben verricht en hem op verzoek geld hebben overgemaakt. Ook zouden de Russen advies hebben gegeven over het doorsluizen van het geld. De verdachte heeft ook verklaard dat hij in tussentijd zijn huis aan deze mannen heeft verhuurd. De mannen maakten gebruik van zijn laptops en van zijn wifi-code. De rechtbank vindt het verweer “in meer of mindere mate niet aannemelijk”. Het is aan de verdachte om redengevende feiten en omstandigheden aan te voeren. De betrokkenheid van de Russen bij de feiten is op geen enkele wijze onderbouwd door de verdachte. Bovendien, zo is de rechtbank van oordeel, wijzen alle feiten en omstandigheden in het dossier er juist op dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan én dat hij hier alleen verantwoordelijk voor is. Met betrekking tot het feit van witwassen acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Echter, niet met “de Russen” waar de verdediging op doelt. De rechtbank verwijst daarbij overigens niet het maatgevende arrest van de Hof Den Haag over het hackverweer in ECLI:NL:GHDHA:2018:3529.

De verdachte krijgt vier jaar gevangenisstraf opgelegd, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

12 maanden cel voor witwassen van Bitcoins

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 juni 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2019:2897 en ECLI:NL:RBZWB:2019:2898) voor het medeplegen van witwassen van bitcoins ter waarde van ruim 100.000 euro. De verdachte heeft met behulp van een ‘Bitcoinkaart’ bijna 85.000 euro gepind.

Uit de uitspraak met een medeverdachte is af te leiden dat de bitcoins zijn omgezet naar courante valuta en vervolgens zijn gepind en uitgegeven. Uit de transactiegegevens van de Bitcoinkaart is gebleken dat er in totaal 158 geslaagde geldopnames zijn uitgevoerd. Zowel de verdachte als de medeverdachte worden op camerabeelden van pinautomaten herkend terwijl er opnames worden gedaan met de Bitcoinkaart. Ook blijkt uit onderzoek dat transacties met deze bitcoins – direct dan wel indirect – via ‘Bitcoinmixers’ of ‘darkweb marketplaces’ plaatsvonden.

De verklaring van de verdachte dat het geld afkomstig was uit donaties via online advertenties acht de rechtbank volslagen onaannemelijk. De verdachte heeft deze verklaring eveneens onvoldoende verifieerbaar gemaakt. Hij krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 12 maanden.

Veroordeling voor ‘ontucht buiten echt’, laster, bedreiging en bezit van kinderporno

Het Hof Den Bosch heeft op 5 juli 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:GHSHE:2019:2360) voor ontucht, laster, bedreiging en bezit van kinderporno. De verdacht krijgt een straf opgelegd van. De zaak is interessant, omdat ontucht (met een minderjarige) wordt bewezen zonder dat er lichamelijk contact is geweest. Het Hof acht ‘ontucht buiten echt’ bewezen, omdat er sprake is van ‘enige voor het plegen van ontucht met die minderjarige relevante interactie tussen verdachte en die minderjarige’. Het Hof verwijst daarbij naar HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0950 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1379.

In dit geval deed de verdachte zich voor op Instagram als een 17-jarige jongen en zocht daarbij contact met een 13-jarig meisje. Hij is zelf begonnen met naaktfoto’s versturen en heeft op listige wijze het slachtoffer overtuigd om drie naaktfoto’s naar hem te sturen. Deze foto’s zijn op zijn telefoon aangetroffen.

In deze omstandigheden waarbij de verdachte ook actief seksueel getinte gedragingen van de minderjarige verlangt en/of door uitlatingen of al dan niet seksuele gedragingen van hemzelf, de ontuchtige gedragingen bevordert of aanmoedigt, is naar het oordeel van het Hof Den Bosch dan ook sprake van handelingen die – gelet op de sociaal-ethische opvattingen over deze handelingen, gepleegd in de context zoals het hof die heeft vastgesteld – zijn aan te merken als het ‘buiten echt’ plegen van ontucht met een minderjarige als bedoeld in artikel 247 Wetboek van Strafrecht.

Digitaal bewijs in moordzaken

In februari en april 2019 zijn diverse uitspraken verschenen waarbij digitaal bewijs een rol speelt in zaken over zware delicten, namelijk moord en doodslag.

Compromitterende zoekopdrachten

In een zaak van 7 februari 2019 speelden de gegevensdragers van een moordverdachte bijvoorbeeld een belangrijke rol voor het oordeel over opzet en voorbedachte raad. Uit mobiele telefoon van verdachte was namelijk af te leiden dat de verdachte op 22 oktober 2015 een pagina bezocht met de titel “Ether. Kunnen we meer dan we denken?”. Op dit forum werd besproken hoe ether is te gebruiken als drugs en op welke wijze het werkt. Op 23 oktober 2015 heeft verdachte daadwerkelijk ether gekocht en gebruikt om het slachtoffer te bedwelmen. Daarnaast werd belangrijk bewijs afgeleid uit de computer op het werk van de verdachte. Uit het persoonlijk gebruikersaccount bleek dat de verdachte verschillende internetsites had bekeken die met wapens verband houden. Ook heeft de verdachte internetsites bekeken die verband houden met giftige kruiden en planten. En op 13 oktober 2015 heeft verdachte een forum bezocht met het onderwerp: “Als je de perfecte moord zou willen plegen…”. Verder heeft de verdachte op 13 oktober 2015 internetsites bezocht met ‘dodelijk gif‘ als onderwerp.

De verdachte heeft het slachtoffer om het leven gebracht door een kussen op het gezicht van de vrouw te leggen een middel om haar, na de bedwelming, de adem te ontnemen, zodanig dat dit haar dood zou worden. Het hof acht zich in het oordeel tot de veroordeling tot moord gesteund door de eerder genoemde zoekgeschiedenis op de bij de verdachte in gebruik zijnde computers en telefoon en zijn uitlatingen over de door hem gewenste dood van zijn ex-vrouw. De verdacht wordt door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld (ECLI:NL:GHARL:2019:1177) tot 20 jaar gevangenisstraf.

Gebruik Wifi-netwerken ter localisering van verdachte

In een zaak over het delict doodslag van de rechtbank Zeeland-West-Brabant speelde digitaal bewijs eveneens een rol, omdat de telefoon van de verdachte op een bepaald tijdstip verbinding maakte met het Wifi-netwerk van het slachtoffer.

In de uitspraak wordt het tijdstip van de Wifi-verbindingen veelvuldig genoemd ter lokalisering van de verdachte. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn eigen woning om het leven gebracht door onder meer tegen het lichaam en het hoofd te slaan en te schoppen.

Het slachtoffer is ten gevolge van dit letsel overleden. De verdachte wordt veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2019:575) tot 10 jaar gevangenisstraf.

Identificatie op basis van nickname verdachte

In een zaak (ECLI:NL:RBOBR:2019:1102) van de rechtbank Oost-Brabant over een poging tot moord bestond het digitaal bewijs uit internetgeschiedenis op een iPhone die op basis van o.a. Apple-ID naam en informatie uit open bron aan de verdachte werd toegekend. In de uitspraak staat beschreven hoe de bijnaam van de verdachte kon worden afgeleid uit het Apple ID en deze overeenkwam met de bijnaam van de verdachte die de verdachte op internet gebruikte. Dit blijkt uit een ‘OSINT-rapportage’, waar verder niet op wordt ingegaan. Daarnaast straalde de Blackberry van de verdachte aan met een mast die zich bevond in een straatnaam in de pleegplaats. Deze mast stond in de buurt van de woning van aangeefster. Ten slotte is de auto van de verdachte registreert door ‘ARS-camera’s’ op de snelweg, niet lang nadat verdachte klaar is met het zoeken naar de contactgegevens op internet van het slachtoffer.

De verdachte handelde volgens de rechtbank met de koelbloedige liquidatiepoging door middel van het afvuren van een schot in opdracht van een ander. De verdachte heeft ook daarover niets willen verklaren. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 12 jaar. Daarnaast adviseert de rechtbank de tbs-maatregel te doen aanvangen na de tenuitvoerlegging van twee-derde deel van de gevangenisstraf.

Verklaring ‘Facebooken op het toilet’ is onaannemelijk

Ten slotte speelde de mobiele telefoon een belangrijke rol in een moordzaak (ECLI:NL:RBMNE:2019:1362) van de rechtbank Midden-Nederland op 3 april 2019. De verdachte claimde dat de verdachte zichzelf had gestoken. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, omdat hij verklaarde dat hij na binnenkomst in de woning van het slachtoffer direct naar het toilet is gegaan en dat hij met zijn telefoon op Facebook heeft gezeten.

Uit camerabeelden blijkt echter dat de verdachte om 14.30 uur naar de woning van slachtoffer liep en dat zijn telefoon om 14.31 uur contact maakte met de router in de woning van het slachtoffer. Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt echter dat géén technische sporen zijn aangetroffen van Facebook-activiteit op 20 februari 2018 tussen 14.31 uur en 14.36 uur of in de minuten daarna. De Facebook-app van verdachte was die dag voor het laatst opgestart om 13.53 uur en afgesloten om 13.54 uur.

De verdachte wordt veroordeelt tot doodslag door middel van messteken van een 18-jarig slachtoffer. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 10 jaar.

Jurisprudentieoverzicht cybercrime februari – april 2019

Veroordeling in onderzoek “Cyber 007”

Op 28 februari 2019 heeft de rechtbank Noord-Holland in een phishing-zaak geoordeeld (ECLI:NL:RBNHO:2019:1568) met de spannende operatienaam “Cyber 007”.  De verdachte wordt veroordeeld voor diefstal, computervredebreuk en deelname een criminele organisatie. Rekeninghouders van Rabobank en ABN AMRO bank zijn phishingmails verstuurd, waarin stond dat vanwege veiligheidsredenen op korte termijn een vernieuwde bankpas moest worden aangevraagd. Verder werd meegedeeld dat hun huidige bankpas binnenkort automatisch zou verlopen. In de e-mails werd daarom verzocht de aanvraag van de nieuwe bankpas te voltooien en de oude bankpas(sen) op te sturen naar een inleverpunt van de desbetreffende bank voor recycling. De adressen van deze inleverpunten betroffen adressen van verschillende woningen.

Werkwijze

De e-mails werden voorzien van een link, bijvoorbeeld genaamd ‘Nieuwe betaalpas aanvragen’. Via deze link werd men doorverwezen naar een nagebouwde, valse website van de bank, waar de rekeninghouders enkele bankgegevens, zoals hun bankrekeningnummer en pincode, moesten invullen. De opgestuurde bankpassen werden daarna weggenomen uit de brievenbussen van de zogenaamde inleverpunten. In enkele gevallen werden vervolgens de opnamelimieten van deze bankpassen verhoogd en grote geldbedragen gepind. In deze uitspraak werd door de officier van justitie geen bewijs geproduceerd van betrokkenheid bij het verzenden van de e-mails, dus daar werd de verdachte van vrijgesproken.

Kwalificering van de feiten

Door verschillende personen is vervolgens geld met bankpassen gepind, dan wel zijn (luxe) goederen met de bankpassen aangeschaft. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokken personen. Uit de aard van deze handelwijze is volgens de rechtbank sprake geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid, die tot oogmerk had om – door middel van oplichting – bankpassen en bijbehorende pincodes te verkrijgen, daarmee computervredebreuk te plegen (door in te loggen op de internetbankieren omgeving) en computergegevens aan te tasten (door opnamelimieten van bankpassen te verhogen), met als uiteindelijk doel de bankrekeningen van de rekeninghouders leeg te halen (diefstal door middel van valse sleutels) door geld op te nemen uit geldautomaten dan wel aankopen te doen in winkels (diefstal door middel van valse sleutels en/of witwassen).

Gedwongen ontsleuteling iPhone

In de zaak staan ook uitgebreide overwegingen omtrent het gedwongen ontgrendelen van een iPhone 4 met behulp van een vingerafdrukscan. De iPhone die verdachte bij zijn aanhouding bij zich had, is in beslag genomen en door de politie meteen in ‘Flight Mode’ gezet, zodat de telefoon niet van afstand kon worden gewist. Nadat de verdachte weigerde zijn iPhone te ongrendelen is zijn rechterduim, zonder geweld, op de vingerafdrukscanner van de iPhone geplaatst en is de iPhone ontsloten. De rechtbank acht dit rechtmatig gelet op de ernst en aard van de verdenkingen tegen verdachte, het ontbreken van zijn medewerking tot het ontgrendelen van de iPhone, de gerechtvaardigde verwachting bij de opsporingsambtenaren dat zich op de iPhone voor het onderzoek relevante gegevens zouden bevinden en een minder ingrijpend middel tot ontgrendeling van de iPhone niet voorhanden was.

Veroordeling

De verdachte wordt veroordeeld voor 218 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Ook krijgt de verdachte een taakstraf opgelegd van 240 uur en moet hij een schadevergoeding van 2300 euro betalen.

Misbruik van inloggegevens voor het plegen van fraude

Op 14 februari 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBNNE:2019:637) voor oplichting en het aftappen van gegevens. De verdachte heeft door middel gebruik van keyloggers, op grote schaal inloggegevens van studenten van de Hanzehogeschool Groningen verzameld. Zie ook dit leuke artikel ‘Cybercrime op de Hanze’.

Het delict ‘wederrechtelijk aftappen of opnemen van gegevens’ in artikel 139c Sr werd bewezen geacht, vanwege het gebruik van keyloggers waarmee de toetsaanslagen werden verzameld. Door middel van de verzamelde inloggegevens kon de verdachte binnendringen in de klantenaccounts van studenten bij webshops en heeft hij deze accounts gebruikt om frauduleuze bestellingen te plaatsen, hetgeen het delict oplichting in art. 326 Sr oplevert.

De bestelde goederen liet verdachte bezorgen op zorgvuldig uitgekozen adressen, waar hij gemakkelijk de geleverde goederen – uit het zicht van de bewoners – uit de brievenbussen kon vissen. Verdachte heeft door deze handelswijze internetbedrijven en een groot aantal particulieren financieel benadeeld. Daar komt bij dat veel van deze particulieren ook op andere wijze nadeel hebben ondervonden, omdat zij ten onrechte als wanbetaler zijn aangemerkt.

De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 194 dagen, waarvan 180 voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Veroordelingen voor online drugshandel

Het Hof Amsterdam heeft op 27 februari 2019 een verdachte in het onderzoek ‘Lancashire’ veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:587) voor grensoverschrijdende drugshandel via een darknetmarket, gewoontewitwassen en het bezit van verdovende middelen. De verdachte maakte deel uit van een organisatie van zes personen die zich bezighielden met online drugshandel.

Het digitaal bewijs bestond deels uit een aantal (verwijderde) foto’s en hun metadata op de SD-kaart van de fotocamera van de verdachte die weer zijn teruggehaald. Op de foto’s stonden onder andere de pillen die werden verkocht. De handel waarbij de verdachte betrokken was, legde zich met name toe op het bevoorraden van de ‘resellers’ en behoorde daarmee tot het hogere segment van de drugshandel. De verdachte wordt veroordeeld voor in totaal 27 maanden gevangenisstraf.

Dat online drugshandel niet altijd via het darkweb plaatsvindt, laat een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 19 maart 2019 zien (ECLI:NL:RBOBR:2019:1837). In deze zaak ging het over het verkoop van GBL, een stof waarmee GHB kan worden gemaakt. GBL werd via internet vanuit Polen bedrijfsmatig verkocht. De verdachte heeft zijn bedrijf gepresenteerd als een bedrijf dat legaal GBL als schoonmaakmiddel verkocht, terwijl de verdachte het bedrijf in feite gebruikte om GBL als grondstof voor de bereiding van GHB aan zijn afnemers te leveren. De verdachte is bij het plegen van de feiten planmatig te werk gegaan en heeft een deel van zijn bedrijfsactiviteiten verplaatst naar Polen om uit het zicht van de opsporingsautoriteiten te blijven.

In de uitspraak staat een interessante overweging over rechtsmacht. Rechtsmacht van Nederland wordt op grond van art. 2 Sr in deze zaak aangenomen, ondanks dat slechts een deel van het feit in Nederland is gepleegd. De aansturing van strafbare feit vond in Nederland plaats en de stoffen werden in Nederland afgeleverd of opgehaald. Ook bleek uit opgevraagde verkeersgegevens dat de mobiele telefoon van de verdachte zich in Nederland bevond. Vergelijking van de locaties van de twee telefoons levert op dat zij in elk geval op negen verschillende datums beiden de zendmast in een bepaalde woonplaats aanstraalden. Nederland kan daarom als pleegplaats van het strafbare feit worden aangemerkt, waardoor op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht bestaat, hetgeen betekent dat de officier van justitie ontvankelijk is en in zijn vervolging kan worden ontvangen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van het verweer van de raadsman met betrekking tot artikel 7 Sr.

De veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van het voorbereiden en voorhanden van stoffen die bestemd zijn tot het plegen van een feit dat strafbaar is gesteld in de Opiumwet. De verdachte krijg een gevangenisstraf opgelegd van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk en een geldboete van 25.000 euro.

Witwassen van Lindendollars en cryptocurrencies

Op 18 december 2018 werd een verdachte door de rechtbank Rotterdam veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2018:11321) tot het medeplegen van witwassen (art. 420bis Sr) van een bedrag van ruim 826.000 euro met behulp van virtuele currencies. De uitspraak is pas op 19 maart 2019 gepubliceerd. In dit geval bood het bedrijf ‘Virwox’ een platform aan voor het verhandelen van verschillende virtuele valuta’s, zoals bitcoins. Bij dat bedrijf is in maart 2012 een account gemaakt op naam van de verdachte. Via dit account werden bitcoins ingewisseld voor linden dollars (een andere virtuele munt). Deze linden dollars werden op hun beurt omgezet in euro’s en gestort op acht bankrekeningen op naam van de verdachte en iemand anders. Van de bitcoins die via de Virwox-account op naam van verdachte werden omgezet, waren (in elk geval) 72.605 bitcoins afkomstig van één bepaalde handelaar op Silk Road, een darknet market. Op de bankrekeningen die op naam zijn gesteld van de verdachte en iemand anders zijn – via de Virwox-account op naam van de verdachte – bedragen gestort van in totaal respectievelijk € 826.001,- en € 27.715,-. Die bedragen zijn in kleine tranches via pintransacties opgenomen van de bankrekeningen.

Hoewel er niet een (on)middellijk verband is te leggen met een nauwkeurig aangeduid misdrijf als bron van het geld, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het geldbedrag van € 826.001,- een criminele herkomst heeft. Gronden voor die conclusie zijn de hoogte van dat bedrag, de omstandigheid dat het in vele kleine bedragen op acht verschillende bankrekeningen van de medeverdachten is gestort en dat het uiteindelijk grotendeels contant is opgenomen. Daar komt bij dat het geld de vorm heeft gehad van verschillende cryptovaluta’s die in het criminele circuit veel gebruikt worden om de herkomst van crimineel geld te verhullen en dat het geld, in de vorm van bitcoins, voor een groot deel afkomstig is van de online marktplaats Silk Road. Het is een feit van algemene bekendheid dat Silk Road, dat inmiddels is gesloten, veelal gebruikt werd voor criminele transacties.

De rol van de verdachte bij het witwassen is groter geweest dan het enkel contant (laten) opnemen van geld van zijn bankrekeningen. De verdachte heeft diverse bankrekeningen op zijn naam geopend terwijl hij wist wat daar het doel van was. De verdachte wist bovendien dat het om zeer grote totaalbedragen ging en hij had het vermoeden dat het geld afkomstig was van drugshandel. Daarbij komt dat de verdachte – die nauwelijks legale inkomsten had – wekelijks zo’n € 800,- kreeg. Ook zijn er (dure) vakanties voor hem betaald die niet passen bij de inkomsten van de verdachte. Daarmee heeft de verdachte ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij bezig was de criminele herkomst van het geld te verhullen. Daarmee is gegeven dat bewezen kan worden dat zijn opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, was gericht op witwassen.

De verdachte kreeg een gevangenisstraf opgelegd van 12 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

In een andere zaak bij de rechtbank Rotterdam is op 13 maart 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:2408) voor het medeplegen van gewoontewitwassen van 4182 bitcoins via bitcoinbeurs ‘Kraken’. De verdachte trad hier een jaar op als geldezel en ontving in die hoedanigheid grote hoeveelheden geld op zijn bankrekeningen tot een totaalbedrag van meer dan één miljoen euro.

De uitbetalingen door Kraken, soms meerdere op één dag, waren per transactie niet hoger dan € 8.999,91. Daarmee bleven de bijschrijvingen op de bankrekeningen van de verdachte steeds onder de meldplicht van de banken. Het totaal van deze bijschrijvingen stond in geen verhouding tot de inkomsten uit arbeid van de verdachte. De op de bankrekeningen van de verdachte bijgeschreven geldbedragen werden vrijwel direct na ontvangst – soms na een (gedeeltelijke) doorboeking naar bankrekeningen van familieleden van de verdachte – contant opgenomen, zonder kennelijke legale economische noodzaak of verklaring daarvoor. De rechtbank overweegt dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat voormelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft zich echter zowel tijdens zijn verhoor door de FIOD als ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Ook in deze zaak overweegt dat de rechtbank dat het ‘een feit van algemene bekendheid is dat bitcoins dikwijls worden gebruikt in het criminele circuit, onder meer in de drugshandel’.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vijf voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Opruiing tot terrorisme via social media

Op 12 februari 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam een minderjarige verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2019:855) voor opruiing tot terrorisme. Op zijn social media kanalen had de verdachte filmpjes geplaatst waarin strijdliederen te horen zijn met een oproep om aanslagen te plegen voor de Islamitische Staat en om zogenaamd ongelovigen de keel door te snijden en te doden. De verdachte beheerde het kanaal waarop 29 oktober 2017 tot en met 3 juli 2018 de filmpjes werden beheerd en verspreid.

In de uitspraak wordt beschreven hoe bijvoorbeeld op één van de filmpjes de keel van een geknielde persoon met zijn op hadden zijn rug werd doorgesneden, terwijl op zijn kleding de tekst “Kuffar” (ongelovige) te lezen is. Op de achtergrond is een persoon met een IS-vlag te zien. Daarna is het hoofd volledig van het lichaam doorgesneden en vervolgens te zien is dat de persoon het hoofd met kracht van het lichaam losrukt.

De rechtbank is met de officier van justitie van mening dat de verdachte niet langer hoeft vast te zitten dan de dagen die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het belangrijkste is dat verdachte zich niet opnieuw met deze opruiende praktijken bezighoudt. Verdachte zit in een intensief hulptraject en heeft zich tijdens zijn schorsing goed gehouden aan de bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding, behandeling en controle.

De rechtbank legt 210 dagen jeugddetentie op, waarvan 133 voorwaardelijk, gelet op de positieve proceshouding van de verdachte, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en zijn medewerking aan de hulpverlening.

Jurisprudentieoverzicht cybercrime – december-februari 2019

Hieronder volgt weer een overzicht van cybercrimezaken in de maanden december-februari die mij zijn bijgebleven. Het waren te veel zaken om allemaal een plek te geven, dus ik heb een selectie gemaakt. Daarbij heb ik dit keer extra gelet op zaken die interessante vragen met zich meebrengen op het gebied van strafvordering.

Inloggen op accounts met de credentials van een verdachte?

In de rechtspraak is een interessante discussie op gang gekomen over de vraag of opsporingsambtenaren na de inbeslagname van een gegevensdrager achteraf mogen inloggen op een account. In dat geval zijn de credentials (inlognaam en wachtwoord) rechtmatig verkregen.

In twee gevallen is over de beslissing van de rechter-commissaris een beschikking gepubliceerd. In de eerste beschikking keurde de rechter-commissaris de aanvraag tot inloggen niet goed, omdat artikel 126ng lid 2 Sv ziet op het vorderen van opgeslagen gegevens bij een elektronische communicatiedienstaanbieder en niet op een zoeking en overnemen van gegevens op afstand. In de tweede (recente) beschikking gaf de rechter-commissaris wél een machtiging – na tussenkomst van de officier van justitie – aan een opsporingsambtenaar om in te loggen op de verschillende e-mailadressen en datingsites.  De rechter-commissaris achtte zich, op grond van artikel 181 Sv, bevoegd om deze beslissing te nemen, hoewel ook wordt opgemerkt dat de wet (nog) niet voorziet in een specifieke bevoegdheid om in te loggen op e-mailadressen en websites en gegevens vast te leggen. De Rechtbank Den Haag overweegt ten eerste dat het verschil tussen een vordering tot de gegevens en het inloggen en overnemen van gegevens op afstand ‘niet wezenlijk’ is, omdat het om dezelfde soort gegevens gaat. Ten tweede is het inloggen op de e-mailadressen en websites met vooraf beschikbare gebruikersnamen en wachtwoorden een eenvoudige en weinig risicovolle wijze van binnendringen in een geautomatiseerd werk. Ten derde is de inbreuk voor de betrokkene niet groter bij het inloggen en vastleggen van gegevens dan bij het vorderen van gegevens bij de aanbieder.

In het licht van deze tweede beschikking is ook het arrest van het Hof Den Haag van 19 december 2018 zeer lezenswaardig. Hierbij heeft de politie met toestemming van de rechter-commissaris op het politiebureau de inhoud van de mailbox van het Hotmail-account en een Gmail account (1001 e-mails) van de verdachte gekopieerd (8643 e-mails).   Kortgezegd overweegt op grond van de regeling van de netwerkzoeking geen zoeking achteraf en op afstand mag plaatsvinden. De advocaat-generaal vindt dit door de beugel kunnen op grond van de regeling van de netwerzoeking in art. 125j Sv. Het Hof overweegt kort gezegd dat de netwerkzoeking gekoppeld aan de doorzoeking van een plaats ter vastlegging van gegevens (zoals ook gewoon letterlijk in de wet staat, zou ik daaraan willen toevoegen). Het Hof Den Haag overweegt dat de netwerkzoeking daarmee los staat van de inbeslagnemingsbevoegdheden, in die zin dat niet kan worden gezegd dat de bevoegdheid tot inbeslagneming reeds de bevoegdheid tot het doen van een netwerkzoeking impliceert. Ook hierin ligt een argument besloten voor het oordeel dat de netwerkzoeking niet pas na de feitelijke inbeslagname van een gegevensdrager (alsnog) mag worden toegepast, en derhalve op een later moment en op een andere locatie, zoals in casu wel is gebeurd. Een ruime uitleg van art. 125j Sv waarmee achteraf met de credentials van de verdachte mag worden ingelogd gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten volgens het hof.

Het arrest is daarnaast interessant vanwege de ten laste gelegde feiten (drieweg-phishing (per mail, nagemaakte website en malware)) en de overwegingen omtrent het hackverweer (zie ook hieronder). Over het arrest heb ik een annotatie geschreven die over een tijd in Computerrecht verschijnt.

Overzichtsarrest hackverweer van Hof Den Haag

Het Hof Den Haag wijdt in haar arrest van 19 december 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:3528) dezelfde overwegingen aan het “hackverweer” als in de bovengenoemde zaak. Het hackverweer wordt dikwijls in cybercrimezaken gebruikt, waarbij de verdediging stelt dat niet de verdachte maar iemand anders via de gehackte computer van de verdachte de feiten is begaan. De overwegingen hierover van het hof zijn daarom heel belangrijk en stelt een nieuwe norm m.b.t. het hackverweer. Ik vind het wel jammer dat het allemaal nogal juridisch met veel tussenzinnen is geschreven, waardoor het arrest lastiger leesbaar wordt. Ook het aantal factoren waarmee rekening moet worden gehouden en alle uitzonderingen maakt het allemaal niet eenvoudig, maar wel volledig zullen we maar zeggen. In dit bericht vat ik de omgang met het verweer samen.

Deze vrij oude zaak ging over het bezit en verspreiding van kinderpornografische afbeeldingen via het peer-to-peer netwerk ‘eDonkey2000’. In een map zijn kinderpornografische afbeeldingen gevonden en uit de zoektermen kon worden afgeleid dat is gezocht naar kinderporno.

Het Hof stelt voorop dat bij de beoordeling van het hackverweer als maatstaf dient te worden aangelegd of – alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemende – dit verweer al dan niet in meer of mindere mate aannemelijk is geworden (zie HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359). Het is aan de verdachte om die feiten en omstandigheden aan te voeren. Volgens vaste jurisprudentie mag de rechter, naast de weerlegging in de bewijsmotivering, ook de onwaarschijnlijkheid, onaannemelijkheid en/of de ongeloofwaardigheid van alternatieve scenario’s in zijn oordeelsvorming betrekken. Volgens het Hof mag de rechter er, behoudens sterke aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uitgaan dat op een computer (of in een beveiligde online omgeving) aangetroffen gedownloade of gekopieerde bestanden daarop zijn geplaatst door de gebruiker van die computer. Ook mag de rechter er, behoudens sterke aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uitgaan dat wanneer uit nadere (meta)data blijkt dat bepaalde websites of bepaalde bestanden zijn geopend, die handelingen zijn verricht door de gebruiker van die computer.

Het enkele feit dat op een computer sporen zijn aangetroffen van malware betekent nog niet noodzakelijkerwijs dat dit een aannemelijke verklaring vormt voor de aanwezigheid van bepaalde (digitale) delictsporen, zoals opgeslagen browser- of communicatieactiviteiten en kinderpornografische afbeeldingen. Het is niet vereist dat kan worden uitgesloten dat een bepaalde computer is “gehackt”. Kortom, de theoretische mogelijkheid dat de betreffende computer is gehackt, zonder dat daarbij tevens een specifieke relatie wordt gelegd met de feiten uit de betreffende zaak en het daarin verrichtte (digitaal-forensische) onderzoek, is in de regel op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat de computer is gehackt. Het Hof noemt de volgende factoren die bij het hackverweer in ogenschouw kunnen worden genomen:

  1. het al dan niet aantreffen van (sporen van) hackingsoftware of zogenaamde remote access tools, en van het ongeautoriseerde gebruik door derden daarvan, op de betreffende computer;
  2. het niveau van fysieke en digitale bescherming van de computer tegen gebruik door derden/(digitaal) binnendringen.
  3. de aan- dan wel afwezigheid van digitale sporen (en/of andere feiten en omstandigheden) waaruit, bijvoorbeeld vanwege de inhoud, kan worden afgeleid wie (ook) op of omstreeks het moment van plegen van de strafbare gedragingen de gebruiker van de computer was. Bij onderzoek kan bijvoorbeeld blijken dat vanaf de computer zeer kort voor of na de strafbare handelingen ook communicatie (email, chats) is gevoerd, waarvan de inhoud een relatie heeft met de verdachte (dan wel een bepaalde derde) of dat gegevens zich op bestandslocaties bevinden die redelijkerwijs alleen bekend of toegankelijk waren voor de verdachte;
  4. de mate waarin, en het moment waarop, de verdachte medewerking heeft verleend aan eventueel nader onderzoek naar zijn verweer. Hierbij kan gedacht wordt aan het al dan niet (tijdig) verstrekken door de verdachte van bijvoorbeeld wachtwoorden en toegangscodes, welke nodig zijn voor het verrichten van (nader) digitaal- forensisch onderzoek;
  5. andere feiten en omstandigheden die wijzen op een bijzondere (inhoudelijke) betrokkenheid van de verdachte of een derde bij de op of via de betreffende computer gepleegde gedragingen, zoals fysieke sporen (bijv. afbeeldingen of valse credit cards) die bij de verdachte of derden zijn aangetroffen en die een relatie hebben met de op de computer aangetroffen digitaal-forensische sporen (bijv. digitale kinderpornografie; gephishte credit card gegevens);
  6. getuigenverklaringen omtrent het gebruik van de betreffende computer door verdachte dan wel door derden;
  7. de aan- dan wel afwezigheid van een motief voor derden om in de computer van de verdachte binnen te dringen.

Het arrest is ook lezenswaardig vanwege het uitgebreide digitaal forensisch onderzoek dat is gedaan en de motiveringen daaromtrent. Ondanks dat er malware op de computer van de verdachte is gevonden blijkt uit forensisch onderzoek dat  het niet waarschijnlijk is dat een derde de feiten heeft begaan. Daartegenover staat dat de verdachte enkele minuten voor gedragingen met kinderpornografisch materiaal de computer heeft gebruikt voor zijn werk. Enkele minuten na de gedragingen met kinderpornografisch materiaal wordt door de verdachte gebruik gemaakt van Microsoft Outlook om persoonlijke e-mail te bekijken en in de tussenliggende periode gebruik gemaakt van de internetpagina sexdatingstad.nl met een account dat op basis van de vanaf zijn betaalrekening betaalde credits aan de verdachte kan worden toegeschreven.

De verdachte wordt veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 15 voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. De apparaten waarmee de feiten zijn begaan (een PC, externe harde schijf en router) zijn verbeurd verklaard.

Gedwongen ontgrendeling smartphone niet in strijd met nemo-tenetur beginsel

De Rechtbank Noord-Holland heeft op 14 december 2018 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBNHO:2018:11578) voor drugssmokkel (cocaïne) via Schiphol. De zaak is interessant, omdat de Koninklijke Marechaussee (Kmar) de verdachte onder de dreiging van dwang zijn pincode heeft laten afgeven om een smartphone te ontgrendelen voor nader onderzoek aan de telefoon.

De raadsman van de verdachte betoogt dat het onderzoek aan de telefoon van de verdachte onrechtmatig is geweest. De verdachte heeft de pincode van zijn telefoon niet vrijwillig gegeven, maar onder dreiging van fysieke dwang. De Kmar dreigde immers onder dwang de vingerafdruk van verdachte te gebruiken om zijn telefoon te ontgrendelen. ‘Enkel om het uitoefenen van fysieke dwang te voorkomen heeft verdachte de pincode van zijn telefoon gegeven. Nu de pincode van de telefoon is verkregen als gevolg van het uitoefenen van ongeoorloofde pressie, is er sprake van handelen in strijd met het nemo tenetur beginsel en dient dit als onherstelbaar vormverzuim te worden beschouwd’, zo betoogt raadman. Het nemo tenetur beginsel is het beginsel dat een verdachte niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling (afgeleid van het recht op een eerlijk proces uit art. 6 EVRM). Het noemen van de pincode zou dan worden beschouwd als een verklaring, waarvan de code en resultaten van het onderzoek door het vormverzuim niet zou kunnen worden gebruikt als bewijs. De rechtbank stelt ook dat de verdachte niet in volledige vrijwilligheid zijn pincode heeft gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet gehandeld in strijd met het nemo tenetur beginsel en was de Kmar bevoegd om – met toestemming van de officier van justitie – onder dwang de vingerafdruk af te nemen van verdachte teneinde de smartphone te ontgrendelen. Een dergelijk bevel is vergelijkbaar met het (onder dwang) afnemen van vingerafdrukken voor opsporingsonderzoek. Het gaat om biometrisch materiaal dat onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat en zonder zijn medewerking zou kunnen worden verkregen. De rechtbank neemt bij haar oordeel in aanmerking dat er een zwaarwegend belang bestond om de telefoon te ontgrendelen (nu verdachte werd opgehouden voor een ernstig strafbaar feit) en de inbreuk op de lichamelijke integriteit gering is. Volgens de rechtbank is geen sprake van een vormverzuim.

De rechtbank Den Haag kwam op 12 maart 2018 overigens tot een vergelijkbaar oordeel (ECLI:NL:RBDHA:2018:2983). Daar ging het om een kindontvoeringszaak en nam de rechtbank in overweging dat snel moest worden gehandeld en de dwang niet disproportioneel werd geacht.

Ik vermoed dat het laatste woord over het gedwongen ontgrendelen van smartphones nog niet is gezegd..

Aydin C. ook in hoger beroep veroordeeld

Op 14 december 2018 heeft het Hof Amsterdam de ‘webcamafperser’ Aydin C. in hoger beroep veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2018:4620) voor o.a. computervredebreuk (art. 138ab Sr), bezit van kinderpornografisch materiaal (art. 240b Sr), aanranding (art. 246 Sr), afdreiging (art. 318 Sr) en oplichting (art. 326 Sr). Over de zaak in eerste aanleg heb ik een annotatie geschreven. Daar ga ik vooral in op de vraag of er een wettelijk grondslag bestaat voor de software waarmee toetsaanslagen en screenshots van de computer van de verdachte zijn vastgelegd.

In hoger beroep wordt het gebruik van software ook legitiem geacht. Wat mij in het hoger beroep vooral opvalt is dat het Hof het verzoek van de verdediging om het digitale bewijsmateriaal wel erg eenvoudig ter zijde schuift. De verdediging verzoekt:

“Het gaat hierbij om verzoeken die betrekking hebben op de (tot op heden) geweigerde inzage in de forensische kopieën van alle gegevensdragers, inzage in alle opnamen/resultaten van de ingezette keylogger en inzage in de WE-logs en VPN-logs, nader onderzoek naar de “verdwijning” van de keylogger van een van de computers van de verdachte, nader onderzoek door een deskundige van het installatieproces van de keylogger, verstrekking van alle IP-taps, onderzoek (door een deskundige) van de Facebookrapporten en verstrekking van niet eerder vrijgegeven gedeelten van die rapporten, nader onderzoek (door een deskundige) van de OVC-opnamen, verstrekking van de Skype-gegevens van alle D’s, verstrekking van informatie over de Britse undercoveroperatie en nader onderzoek naar vormverzuimen voorafgaande aan de aanhouding van de verdachte.”

Bijna geïrriteerd overweegt Hof Amsterdam dat in eerste aanleg de verdediging al kennis heeft kunnen nemen van de processen-verbaal, aanvullende vragen heeft kunnen stellen en een verklaring heeft gekregen van een projectleider Keuringsdienst van de Landelijke Eenheid. De verzoeken van de verdediging ziet het hof als een ‘fishing expedition’. Bovendien zou het bewijs niet hoofdzakelijk steunen op het gebruik van de software. De rechters vinden het dus niet nodig aan verdere verzoeken van de verdediging te voldoen. De zaak is – ook in hoger beroep – lezenswaardig en nadere bestudering waard vanwege het digitale bewijs dat wordt vermeld en de overwegingen van het hof.

Zonder de zaak verder te bestuderen en te duiken in het recht van de verdediging om digitaal bewijs te kunnen toetsen, kan ik niet zeggen of het hof een juiste beslissing heeft genomen. Het is wel helder dat hierbij vaker vragen worden gesteld door advocaten, zoals bijvoorbeeld in dit artikel over digitaal bewijs. De politie en het Openbaar Ministerie willen natuurlijk niet dat de naam en precieze werking van de software naar buiten komt (laat staan de broncode), omdat criminelen hier eventueel hun gedrag op kunnen aanpassen (al zie ik op het eerste gezicht nog niet voor mij op welke manier). Het gaat met andere woorden om de bescherming van hun modus operandi. Maar misschien zijn er wat tussenvarianten mogelijk. In de eerste PGP-zaak mocht de verdediging bijvoorbeeld wel zien hoe de software ‘Hansken’ van het NFI werkt door achter een computer te zitten waarop de software draaide. Ook kan worden gedacht aan een toets door een onafhankelijk deskundige, zoals ik ook in mijn noot in eerste aanleg heb opgemerkt.

De discussie over het toetsen van digitaal bewijs zal de komende jaren steeds belangrijker worden, omdat ik verwacht dat digitaal bewijs een steeds prominentere rol in strafzaken zal innemen (ook in niet-cybercrime zaken) en het gebruik van software met nog meer functionaliteiten zal toenemen vanwege de hackbevoegdheid die na de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit III mag worden ingezet.

Hof Amsterdam acht het doorzoeken van PGP-telefoon ‘niet-stelselmatig’

Het Hof Amsterdam heeft op 14 december 2018 een verdachte in hoger beroep veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2018:4610) voor het medeplegen van moord. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 20 jaar. De zaak vermeld ik kort, omdat het laat zien wat voor een uiteenlopende jurisprudentie en onduidelijke norm volgt op het smartphone arrest van de Hoge Raad. Dat arrest van de Hoge Raad brengt met zich mee dat een bevel van een officier van justitie of een machtiging van een rechter-commissaris noodzakelijk is als het onderzoek stelselmatig van aard wordt en een meer dan geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte met zich meebrengt.

In deze zaak waren de PGP-telefoons van drie verdachten in beslag genomen, waarop het Nederlands Forensisch Insituut (NFI) de telefoon heeft geopend en het opsporingsteam de inhoud heeft onderzocht. De raadsman van de verdachte betoogt dat het onderzoek aan de lijst met contactpersonen, berichten die zijn verstuurd met de applicatie ‘Pretty Good Privacy’ (PGP) en notities via de applicatie ‘MemoPad’ op het Blackberry-toetsel onrechtmatig is geweest, omdat het onderzoek stelselmatig zou zijn geweest, terwijl het toestel door opsporingsambtenaren in beslag is genomen en daarop onderzoek is gedaan op grond van art. 94 Sv jo 95 en 96 Sv.

Het Hof overweegt dat met de kennisname van tekstberichten en notitie niet een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het privéleven van de verdachte is verkregen. De kennisname van de contactpersonen, berichten en notities op de telefoon zou slechts een zeer beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleveren. En de gegevens bevatten volgens het Hof niet zodanige informatie dat een min of meer volledig beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte, ook niet indien deze data en de inhoud van de berichten in onderlinge samenhang worden beschouwd.

Drugshandel via het darkweb, wapenbezit en witwassen

Tot slot nog een mooie zaak over drugshandel via darknet markets, cryptocurrencies en witwassen. Vooral de wijze waarop de digitale opsporing heeft plaatsgevonden is mooi om te lezen in deze zaak.

De rechtbank Overijssel heeft op 15 januari 2019 een verdachte veroordeeld voor drugshandel via het darkweb, wapenbezit en witwassen. De verdachte en medeverdachten verkochten XTC en LSD aan op darknet markets. De pakketjes met drugs werden per post gestuurd naar Frankrijk, Zwitserland en de VS.

De telefoon van verdachte werd afgeluisterd en daaruit bleek dat verdachte zich bezig hield met het overmaken van geld en met Bitcoin-transacties en dat hij drugs had laten testen bij Jellinek. In de zaak werden medewerkers van Team Werken Onder Dekmantel (WOD) ingezet om (waarschijnlijk) binnen een infiltratietraject in het onderzoek ‘26Pecan’ de verdachte te ontmoeten en in totaal 71,72 Bitcoins (destijds € 61.335,00) om te wisselen voor contant geld. Uit analyse van de door verdachte gebruikte bitcoinadressen bleek dat het merendeel daarvan rechtstreeks gevoed werd door bitcoins afkomstig van darknet markets, waaronder de populaire marktplaatsen ‘Hansa Market’, ‘Dream Market’ en ‘Valhalla’. Verdachte gaf tijdens de ontmoetingen met de medewerker van het team WOD aan dat de bitcoins afkomstig waren uit de verkoop van drugs via het dark web en dat hij ervoor zorgde dat de bitcoins werden omgezet naar geld en dat ‘de jongens’ hun drugsvoorraad kregen zodat ‘die jongens’ dit weer konden verkopen op de ‘black markets’.

Daarop werd een pseudokoop van de aangeboden drugs gedaan en werd na betaling met bitcoins een envelop met 5 gram cocaïne geleverd. Hierop vonden er doorzoekingen plaats in de woningen van de verdachte en medeverdachten. Daar werd onder andere drugs, verpakkingsmateriaal voor het versturen van pakketjes, en een schatmijn aan informatie op een USB-stick gevonden. Daarop stond een voorraad- dan wel een verkooplijst van verdovende middelen naar verschillende (internationale) adressen, een recovery code voor een bitcoin wallet, diverse wachtwoorden, gebruikersnamen en vendornamen. Ook werd een recovery-sheet met daarop 24 woorden aangetroffen bovenop een kledingkast in een slaapkamer van de verdachte. Deze 24 woorden vormden samen een zogenaamde ‘seed’ van een “Nano Ledger”. Na het invoeren van de betreffende seed kreeg het onderzoeksteam de beschikking over 21,06581383 bitcoins afkomstig indirect of direct van darknet markets.

Toen de politie de doorzoeking uitvoerde zat de verdachte – niet geheel toevallig vermoed ik – achter zijn laptop terwijl hij met zijn alias was ingelogd op Dream Market. De laptop was voorzien van het besturingssysteem ‘Tails’, dat de rechtbank beschrijft als een besturingssysteem dat geen sporen nalaat en volledig versleuteld is. Op de laptop bevond zich een tekstbestand maandag.txt met daarin adressen, het tekstbestand dep.txt met daarin inloggegevens van een ‘vendor’, een tekstbestand wws.txt met daarin wachtwoorden en pincodes voor de vendor. Ook werden er PGP sleutels aangetroffen op de laptop van verdachte. Ten slotte zijn na een netwerkzoeking twee bitcoinwallets gevonden en is op het account op Dream Market een tegoed van 0,08746 bitcoin en 3,2573 Monero gevonden.

De verdachte is veroordeeld voor drugssmokkel, het bezit van wapens en drugs, en witwassen. De verdachte krijgt een gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd.

Over ethisch hacken: nieuwe leidraad ‘Coordinated Vulnerability Disclosure’ gepubliceerd

De leidraad ‘Coordinated Vulnerability Disclosure (CVD) is een aanscherping op de ‘leidraad responsible disclosure’ van het Nationaal Cyber Security Centrum uit 2013. Het doel van de richtlijn is om bij te dragen aan de veiligheid van ICT-systemen door kennis over kwetsbaarheden door ethische hackers te laten delen met de eigenaren van ICT-systemen, zodat deze de kwetsbaarheden kunnen verhelpen voordat deze actief misbruikt worden door derden. In de nieuwe richtlijn komt beter tot uiting dat er een gelijkwaardig gesprek moet zijn tussen de melder en de mogelijk kwetsbare organisatie.

In de afgelopen jaren hebben melders binnen de randvoorwaarden van coordinated vulnerability disclosure beleid van organisaties gewerkt. Toch kan tijdens het vinden van kwetsbaarheden de wet worden overtreden. In het kader van een CVD-overeenkomst kunnen organisatie en melder overeenkomen geen aangifte te doen (van in de eerste plaats computervredebreuk), zolang de melder binnen de randvoorwaarden van het beleid opereert. Eveneens kan worden afgesproken dat er geen civielrechtelijke stappen worden ondernomen, waarbij eventuele schade op de melder wordt verhaald.

Nadrukkelijker dan voorheen, staat nu in de richtlijn:

“Indien er wel aangifte wordt gedaan, is in Nederland het bestaan en naleven van CVD-beleid een relevante omstandigheid die de officier van justitie zal meenemen in zijn beslissing om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te laten stellen en/of te vervolgen. In principe stellen Politie en Openbaar Ministerie (OM) geen strafrechtelijk onderzoek in, indien de melder zich klaarblijkelijk aan de regels uit het CVD-beleid van de betreffende organisatie heeft gehouden.”

Daarbij wordt naar twee uitspraken verwezen  (ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ1157) en  ECLI:NL:RBDHA:2014:15611) en een beleidsbrief  waarin specifiek wordt ingegaan op de overwegingen bij de onderzoeks- en vervolgingsbeslissing. Net als in de uitspraken wordt daar in gegaan op de gebruikelijke overwegingen zoals het dienen van algemeen belang, of de melder niet onevenredig handelde (de proportionaliteitstoets) en niet een minder ingrijpende manier had kunnen handelen (de subsidiariteitstoets).

Het NCSC hanteert een standaardtermijn van 60 dagen tussen de melding en de publieke bekendmaking van de kwetsbaarheid. De omstandigheden van het geval kunnen nopen tot een langere of kortere termijn. In het CVD-beleid worden tips en voorbeelden gegeven. Daarbij wordt het CVD beleid over het gehele spectrum gebruikt, van het strenge CVD-beleid van Fox IT (slechts in een offline omgeving op voorgeselecteerde producten), naar het standaard beleid op ResponsibleDisclosure.nl tot het informele en ruimtehartige CVD-beleid van Bits of Freedom.

Recente zaak over ethisch hacken

Op 30 augustus 2018 heeft de Rechtbank Den Haag een 45-jarige IT-er veroordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2018:10451) voor computervredebreuk, maar geen straf opgelegd. Op basis van art. 9a Sr kan een rechter daartoe overgaan, indien ‘de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan’. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat hij geen kwade bedoelingen had, dat hij de gegevens uit de database niet voor eigen gewin heeft gebruikt en dat hij een maatschappelijk belang heeft gediend. In de uitspraak staan veel technische details en uitgebreide overwegingen van de rechtbank die voor de liefhebber interessant zijn. Het komt echter niet de leesbaarheid van de uitspraak ten goede. Daarom volgt hier onder een korte samenvatting.

De verdachte deed een beroep op de rechtvaardigingsgrond van het ‘algemeen belang’ door uit te leggen dat de hack op de site van de stichting was uitgevoerd om te laten zien dat de beveiliging ondermaats was. De hacker heeft simpelweg het robots.txt-bestand van de webserver opgevraagd waarbij na invoer van een geldig ID 80.000 donateursgegevens beschikbaar kwamen. In de gegevensset waren ook NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats), bankrekeningnummers, e-mailadressen en opmerkingen over betaalgedrag van “vrienden” te vinden. Het script was niet met een wachtwoord beveiligd, maar dat is ook niet vereist om computervredebreuk te plegen. Wel overweegt de rechtbank dat sprake is van een kenbare drempel die de verdachte is overgegaan, enerzijds door het afschermen van pictura.php met het commando “disallow” op de website en anderzijds door bij opvraging daarvan de invoer van een geldig ID te vereisen.

Met behulp van ‘een vals signaal’ (zie art. 138ab lid 1 Sr) heet de hacker daarmee toegang verschaft tot de een geautomatiseerde werk (de webserver) en computervredebreuk gepleegd. Het beroep op de rechtvaardigingsgrond slaagde niet, omdat de verdachte niet proportioneel handelde door de hele database binnen te halen en ten onrechte meteen naar de media (bij Tweakers.net, De Volkskrant en Trouw via het online klokkenluidersplatform PubLeaks) is gestapt, in plaats van de betrokken organisatie zelf. De verdachte is overigens geïdentificeerd na onderzoek door Fox IT dat was ingehuurd om de hack te onderzoeken. Uit de logbestanden op de webserver bleek dat met een (niet-afgeschermd) IP-adres net voor de hack was ingelogd. Het IP-adres behoorde bij Ziggo en het opvragen van de gebruikersgegevens bij Ziggo heeft klaarblijkelijk tot de verdachte geleid.

Europol rapport over cybercrime uitgebracht (iOCTA 2018)

Op 18 september 2018 heeft Europol een rapport (.pdf) over cybercrime uitgebracht. Het rapport biedt een mooi overzicht met gedetailleerde inzichten over de ontwikkeling van cybercrime. Het rapport is gebaseerd op rapporten van IT-beveiligingsbedrijven en zelfrapportage door opsporingsinstanties. In deze blog post zet ik de belangrijkste resultaten uit de ‘Internet Organised Crime Threat Assessment 2018’ op een rijtje.

1.         Ransomware is de no. 1 cybercrime-bedreiging

Ransomware is volgens Europol de nummer 1 dreiging op het gebied van cybercrime (in enge zin). Het heeft bovendien als dreiging van banking malware (waarmee frauduleuze betalingstransacties worden uitgevoerd) op het gebied van malware overgenomen. De meest voorkomende ransomware is Cerber, Cryptolocker, Crysis, Curve-Tor-Bitcoin Locker (CTBLocker), Dharme en Locky. Naar verluid verdienen de makers van Cerber-malware naar verwachting 200.000 euro per maand, door hun kwaadaardige software te licenseren aan anderen. Ransomware richt zich echter steeds vaker op specifieke organisaties.

Europol stelt vast dat na de NotPetya en Wannacry-aanval, initieel veel onzekerheid bestond over de motieven van de daders en typen daders. Omdat zowel cybercriminelen als ‘nation state actors’ gebruik maken van dezelfde technieken en tools is het lastiger de twee actoren te onderscheiden. Samenwerking tussen opsporingsinstanties, ‘Computer Incident Response Team’-teams en inlichtingendiensten is daarom volgens Europol noodzakelijk.

2.         Cryptomining malware en cryptojacking groeit

Opsporingsinstanties komen Bitcoin nog steeds het vaakst tegen in opsporingsonderzoeken naar cybercrime, hoewel meer anonieme cryptocurrencies, zoals Monero en ZCash, steeds populairder worden. Cryptocurrency uitwisselingskantoren (exchanges), mixing diensten en diensten die online portemonnees voor cryptocurrencies aanbieden worden ook steeds vaker het doelwit van afpersing en hacken. Witwassers maken ook vaker gebruik van gedecentraliseerde uitwisselingsdiensten die geen Know Your Customer beleid voeren, waarbij mensen bij elkaar komen om echt geld voor virtueel geld te wisselen. Cryptocurrencies die anonimiteit al ‘ingebakken hebben’, zullen volgens Europol mixing diensten overbodig maken. Europol merkt terecht op dat een kernvaardigheid zijn voor cybercrime-onderzoekers is om onderzoek te doen naar het misbruik van cryptocurrencies.

‘Cryptojacking’ wordt als nieuwe vorm van cybercrime gezien. Bij cryptojacking worden cryptocurrencies gedolven door gebruik te maken van de verwerkingcapaciteit van computers die aan het werk worden gezet door een javascript op websites. Daarbij wordt vooral het ‘CoinHive JavaScript miner’ gebruikt, waarmee Monero wordt gedolven. Cryptojacking is volgens Europol niet altijd strafbaar (ik kan zelf ook geen artikel uit het Wetboek van Strafrecht bedenken dat van toepassing is).

Europol wijst er op dat cryptojacking (virtueel) geld creëert en daarmee een motivatie vormt voor hackers om legitieme websites als doelwit aan te merken om van daar uit cryptojacking toe passen. Het hacken van website is uiteraard wel strafbaar (art. 138ab (lid 3 sub a?) Sr). Het gebruikt van mining malware is natuurlijk wel strafbaar (o.a. op grond van art. 138ab lid 3 sub a Sr en art. 350a lid 1 Sr) en kan het computersysteem van een slachtoffer plat leggen.

3.         Turbulentie en verplaatsing bij darknet markets

In 2017 zijn de populaire darknet markets ‘AlphaBay’, ‘Hansa’ en ‘RAMP’ offline gehaald. Ook zijn veel marktplaatsen uit zichzelf over de kop gegaan, bijvoorbeeld vanwege hacks en ‘exit scams’ van de eigenaren.

De ‘take downs’ door de politie hebben volgens Europol geleid tot de migratie van gebruikers naar bestaande of nieuwe markten, naar andere platformen (zoals I2P en Freenet) en gezamenlijke groepen of kanalen in versleutelde communicatie-apps.

4.        Groei van online misbruik via ‘live streaming’ diensten en sextortion

Materiaal met seksueel geweld tegen kinderen (o.a. kinderporno) wordt steeds minder vaak verspreid via peer-to-peerprogramma’s, zoals Gigatribe, BitTorrent en eDonkey en steeds meer via het darknet. In dat opzicht is het opvallend dat ik in (Nederlandse gepubliceerde) uitspraken over kinderporno wel lees over veroordelingen voor de verspreiding van kinderporno via Gigatribe, maar niet over de verspreiding via darknet forums.

Europol wijst daarbij ook op misbruik door gebruik ‘live streaming’-diensten via apps en chatkanalen, waarvoor soms ook wordt betaald via betalingsapps op de mobiele telefoon. Opgenomen materiaal wordt ook vaak gebruikt voor het afpersen van minderjarigen voor meer materiaal. Omdat kinderen vaak op jongere leeftijd op internet actief worden, kunnen ze ook op jongere leeftijd in contact komen met online zedendelinquenten en slachtoffer worden. Zowel internet service providers als betalingsdienstverleners moeten ook inspanningen verlenen om kindermisbruik tegen te gaan. Daarnaast doet Europol de nadrukkelijke (nieuwe) aanbeveling om hulpprogramma’s in te zetten voor daders, zodat deze hun driften beter leren beheersen.

5.         Ontwikkelingen in online fraude

West-Afrikaanse en andere fraudeurs passen meer geavanceerde aanvallen toe, waarbij ook zakelijke e-mail wordt compromitteert. Daarbij vinden meer gerichte aanvallen plaats, waarbij gedacht kan worden aan ‘CEO’-fraude (mails sturen uit naam van de CEO aan iemand in het bedrijf die betalingen uitvoert). Daarnaast maken ‘helpdeskfraude’, ‘advanced fee fraud’ en ‘romance scams’ nog steeds veel slachtoffers.

6.         Opsporing wordt lastiger door technische en juridische ontwikkelingen

Opvallend is ten slotte de waarschuwing van Europol dat juridische ontwikkelingen (in het bijzonder de AVG, waardoor de publieke toegang tot de WHOIS-database is afgesloten) en technische ontwikkelingen (zoals 5G zie dit ENISA rapport over 5G (.pdf)), het significant lastiger maken voor zowel publieke als private speurders om verdachten te attribueren en hun locatie te bepalen.

Europol is in het rapport stellig dat het vorderen van gegevens of het invullen van een ‘request form’ bij de registrars ondoenlijk werk oplevert voor opsporingsinstanties. 5G heeft als voordeel veel hogere snelheden en beveiliging dan 4G, maar als nadeel dat het lastiger is voor opsporingsinstanties om hier interceptie op uit te voeren en naar verluidt lastiger maakt om gebruikers van telecomdiensten te identificeren.

Wet computercriminaliteit III aangenomen

De Wet computercriminaliteit III is vandaag (26 juni 2018) ook door de Eerste Kamer aangenomen! De wet is op 21 september 2018 in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2018, nr. 322) en treed op 1 maart 2019 in werking (Stb. 2019, nr. 67).

In mei 2013 berichtte ik voor het eerst over de conceptversie van de Wet computercriminaliteit III en in het najaar van 2017 schreef ik een overzichtsartikel (.pdf) over het wetsvoorstel. Sindsdien is het wetsvoorstel slechts op detailpunten gewijzigd. Deze wet is – zoals zoveel wetten – niet perfect. Toch ben ik blij dat de wet is aangenomen en een noodzakelijke update van het Wetboek van Strafrecht en Strafvordering wordt doorgevoerd.

Toezeggingen op het laatste moment

In het nadere memorie van antwoord voor de Eerste Kamer bevestigt minister Grapperhaus dat de Wet computercriminaliteit III na twee jaar wordt geëvalueerd. Jaarlijks zullen statistieken van het gebruik van binnendringingssoftware openbaar gemaakt worden. De vele regels die nu van toepassing zijn op het gebruik van ‘binnendringingssoftware’ noopt ook tot de vraag of de wetgeving nog wel werkbaar is. Ook deze vraag wordt in de evaluatie meegenomen.

Een wijziging aan het wetsvoorstel dat wordt meegenomen is dat de logginsplicht in het besluit met betrekking tot de uitvoering van de hackbevoegdheid is uitgebreid naar voorbereidende fase van het onderzoek: het binnendringen in het geautomatiseerde werk. De logging bestaat onder meer uit het (automatisch) vastleggen van het beeldscherm en de toetsaanslagen van de opsporingsambtenaar van een technisch team, de communicatie tussen de technische infrastructuur van de politie en het geautomatiseerde werk, de gebruikte scripts, softwareversies en het journaal van de opsporingsambtenaar.

Toezicht achteraf

Tijdens het wetstraject is door diverse auteurs en maatschappelijke organisaties kritiek geuit op de toezicht achteraf op de uitvoering van de nieuwe hackbevoegdheid. Grapperhaus legt uit dat ondanks deze kritiek het toezicht belegd blijft bij de Inspectie Justitie en Veiligheid. Dit toezicht ziet vooral op het nakomen van de vele voorgeschreven procedures van de hackbevoegdheid, maar niet op de rechtmatigheid van de inzet, waaronder de proportionaliteit van de inzet van het middel. “Magistratelijk toezicht”, naast het toezicht vooraf, wordt niet als nodig en als ‘passend in het systeem’ gezien. Toch heeft de minister tijdens de behandeling van de wet in de Eerste Kamer toegezegd in de evaluatie te toetsen of het stelsel van systeemtoezicht op de hackbevoegdheid voldoende is.

Digitaal bewijs in niet-cybercrime zaken

Ook in niet-cybercrime zaken kan digitaal bewijs een cruciale rol spelen. Neem bijvoorbeeld deze zaak van de rechtbank Limburg op 28 maart 2018.

In deze zaak is de verdachte veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf voor moord op zijn vrouw. De rechtbank verhaald dat “terwijl zij nietsvermoedend in haar keuken een sigaret draaide, de verdachte haar van achteren heeft vastgegrepen en door een verwurging/nekklem om het leven heeft gebracht”. In deze zaak heeft digitaal bewijs op de telefoon van de verdachte een prominente rol gespeeld bij het bewijzen van de vereiste voorbedachte rade bij moord. Ook speelde DNA-bewijs een belangrijke rol bij de veroordeling.

Uit het digitaal forensisch onderzoek op apparaten van van de verdachte is gebleken dat de verdachte onder andere op de volgende veelzeggende zoektermen heeft gezocht:

“- dodelijk gif op 29 september 2015 (20:58 uur);

– nek breken op 4 oktober 2015 (21:33 uur);

– overlijden voor definitieve echtscheiding op 4 oktober 2015 (22:17 uur);

– dodelijke kruiden op 7 oktober 2015 (01:17 uur);

– vergiften op 7 oktober 2015 (02:02 uur);

– dodelijke wurggreep op 13 oktober 2015 (23:45 uur);

– wurggreep politie op 25 oktober 2015 (01:26 uur);

– wurggreep op 26 oktober 2015 (00:24 uur);

– nekklem op 6 november 2015 (14:32 uur)”

Ook heeft de politie door onderzoek te doen op de router van de verdachte vastgesteld dat de verdachte op 4 oktober heeft gezocht op de zoekterm ‘gebroken-nek-opslag-dood (om 19.38.20 uur)’. De verdachte heeft bekend dat hij op die zoektermen heeft gezocht (zij het met volgens hem een andere reden).

De rechtbank neemt de zoektermen mee in de bewijsvoering, omdat het slachtoffer kort na de zoekopdrachten is overleden. De rechtbank achtte de verklaringen van de verdachte niet aannemelijk.

In een heel ander soort zaak speelde digitaal bewijs ook een opzienbarende rol. Op 13 maart 2018 is een verdachte door de rechtbank Limburg veroordeeld voor brandstichting, woninginbraken en diefstal  in Maastricht.

In dit geval speelde de telefoon van de verdachte een cruciale rol. Naar eigen zeggen had de verdachte deze telefoon altijd bij zich. Kort na de brandstichting, op 23 juni 2016 om 01.56 uur, maakte de telefoon die de verdachte verbinding met een WiFi-netwerk van een woning in de buurt. Dit plaatst de verdachte vlakbij de locatie en tijd van de brandstichting. Samen met ander bewijs waren de rechters overtuigd van de schuld van de verdachte.

Deze laatste zaak deed mij denken aan het aangehaalde voorbeeld van Hans Henseler over potentiële rol van digitaal bewijs (zie ook dit artikel ‘Verraden door je iPhone’ in Trouw) in bijvoorbeeld inbraakzaken. Ik ben benieuwd welke voorbeelden van digitaal bewijs in nabije toekomst de revue zullen passeren! Ik houd het in ieder geval in de gaten!

Veroordelingen voor grootschalige phishing in Nederland

Enkele recente uitspraken over phishing en computervredebreuk laten zien dat phishing-zaken complexer worden. Het betreft bovendien een combinatie van oplichting met computervredebreuk. De zaken zijn interessant om te lezen en verder te onderzoeken, omdat er interessante details in staan over de digitale bewijsvoering en de manier waarop de delicten zijn uitgevoerd.

Veroordeling door het Hof Amsterdam

Door het Hof Amsterdam is in november 2017 een verdachte veroordeeld voor het versturen van 132.260 phishing e-mails en het hacken van negen websites. Daarbij werd gebuikt gemaakt van de programma’s  ‘Gre3nox’ en ‘Havij’. Gre3nox wordt gebruikt om kwetsbaarheden in websites op te sporen en Havij om databases van websites te hacken door middel van SQL-injecties.

De verdachte richtte zich in zijn mails op gebruikers van de creditcardmaatschappij ICS, waarbij de inlogpagina van de dienstverlener werd nagemaakt om inloggegevens af te vangen. Gezien de op de laptop en de SD-kaart aangetroffen bestanden met betrekking tot phishingwebsites en de in de internetcache aangetroffen gegevens, vond het Hof het aannemelijk dat deze phishing e-mailberichten van de verdachte afkomstig waren.

Opvallend is overigens de vermelding dat de verdachte gebruik maakte van het internet van zijn buurvrouw, waardoor de politie op een dwaalspoor werd gezet.  De verdachte is veroordeeld voor 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 15 maanden voorwaardelijk.

Veroordeling door de rechtbank Den Haag

Op 22 december 2017 zijn door de Rechtbank Den Haag verschillende verdachte veroordeeld voor computervredebreuk, diefstal en grootschalige oplichting van consumenten door elektronica aan te bieden via namaakwebshops. Op basis van anonieme tips en andere informatie zijn de verdachten op 18 mei 2015 door de politie aangemerkt als mogelijke plegers van dergelijke vormen van internetoplichting.

De verdachten hebben met gephishte gegevens ingelogd op Admarkt- en reguliere Marktplaatsaccounts en daarop andere advertenties geplaatst die verwezen naar namaakwebshops. Deze namaakwebshops waren afgeleid van webshops van bedrijven zoals BCC, Dixons, Simyo en Topprice. De namaakwebshops waren niet of nauwelijks van de echte webshops te onderscheiden. Soms waren adressen, telefoonnummers, BTW- en KvK-nummers van het reguliere bedrijf overgenomen en altijd bestond er een contactmogelijkheid via e-mail of door middel van een chatfunctionaliteit. De producten werden op professionele wijze gepresenteerd. Consumenten hadden nadat zij via een betrouwbaar ogende advertentie op Marktplaats werden doorgelinkt naar de namaakwebshop, dan ook niet door dat zij op een frauduleuze website waren beland.

De koopprijs van producten werd door consumenten betaald op een door verdachte opgegeven rekeningnummer, meestal via iDEAL of een andere betaaldienstverlener. De bestelde producten werden daarna niet geleverd en verdachte heeft ook nooit de intentie gehad die te leveren. Met twee anderen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de hack van Scrypt.cc, met grote schade tot gevolg.

Het beroep van de raadsman van de verdachte op het ‘Smartphone-arrest’ van de Hoge Raad  slaagde in dit geval, omdat zich een ernstige privacy-inmenging heeft voorgedaan door het diepgravende onderzoek waarbij het hele privéleven van de verdachte bloot komt te liggen. Daarvoor is een machtiging van een rechter-commissaris noodzakelijk die niet aanwezig was. De Rechtbank Den Haag verbindt echter geen sanctie aan het vormverzuim.

Ook met betrekking tot gebezigde bewijsmiddelen is de zeer uitgebreide uitspraak van de Rechtbank Den Haag interessant. Den daarbij aan de vermelding van bijzondere opsporingsmiddelen, zoals een internettap, het vorderen van gebruikers- en verkeersgegevens bij Google, betalingen met het uitwisselingskantoor van cryptocurrencies ‘AnyCoin’ en informatie over de online betalingsdienst Skrill (die enige anonimiteit aan gebruikers biedt). Leesvoer voor zowel advocaten als cybercrimebestrijders lijkt mij!

Interessant ENISA-rapport over cybersecurity gepubliceerd

Op 15 januari 2018 heeft het Europese cybersecurityagentschap ENISA een interessant rapport gepubliceerd over cybersecuritydreigingen. In het rapport worden de bevindingen van een grote hoeveelheid andere rapporten van cybersecuritybedrijven geanalyseerd en de resultaten daarvan gepresenteerd. Het rapport biedt ook enige technische diepgang. In deze blog post deel ik de zaken die mij uit het rapport opvielen.

Algemeen

In het rapport wordt er op gewezen dat in 2017 cybercriminelen de grootste bedreiging op het gebied van cybersecurity vormen. Twee derde van de aanvallen zijn van deze actor afkomstig. Hierbij wordt opgemerkt dat in plaats dat zij zeer massale meer ongerichte malware-aanvallen uitvoeren, cybercriminelen nu vaker op zoek gaan naar (financieel) aantrekkelijke doelwitten en daar hier gerichte aanvallen op uitvoeren. Cybercriminelen verdienen daarnaast volgens ENISA veel geld met advertentiefraude (clicks genereren en daarmee geld verdienen) en het leveren van diensten voor andere cybercriminelen (cybercrime-as-a-service). Volgens ENISA is er een toenemende interactie tussen cybercriminelen en statelijke actoren bij het uitvoeren van aanvallen.

De ‘insider-dreiging’ (medewerkers van bedrijven of instellingen) worden als tweede grootste bedreiging geïdentificeerd. ENISA zegt dat het motief bij deze interne actoren in de regel financieel van aard is.

Statelijke actoren worden als derde grootste bedreiging gesignaleerd. Staten maken van computers en internet gebruik voor bijvoorbeeld economische spionage en om aan (politieke) beïnvloeding te doen. ENISA wijst er op dat steeds meer staten investeren in de “cybercapaciteiten” van overheidsinstanties en dit leidt tot een grotere cybersecurity leidt. Ook wordt ondersteuning gevonden voor de claim dat deze statelijke actoren vaker dan andere actoren gebruik maken van zero day-kwetsbaarheden bij hun aanvallen. Het lekken van deze zero days kan op zijn beurt grote gevolgen hebben, zoals de WannaCry-aanval laat zien.

Op p. 98 van het rapport is een mooi overzicht van de betrokken actoren en hun manier van werken te vinden.

Cybercrime-specifiek

De meest in het oog springende resultaten met betrekking tot cybercrime zou ik als volgt samenvatten:

  1. Toename in ernst en complexiteit van aanvallen

In het algemeen wordt er op gewezen dat cybercrime in enge zin – kort gezegd (1) computervredebreuk (hacken), (2) de verspreiding van malware en (3) ddos-aanvallen – in ernst en complexiteit stijgt. Interessant is bijvoorbeeld de stijging in ‘clickless’ malware, waarbij geen interactie (zoals een klik op een knop of bestand) is vereist ten behoeve van de installatie van malware en de verdere verspreiding ervan. In het rapport wordt ook gewezen op het gebruik van kwetsbaarheden in webbrowsers (incl. plugins) en kwaadaardige linkjes via phishingmails als populaire infectiemethode.

In het rapport uiteraard ook gewezen op de stevige stijging van malware-incidenten en zeer zware ddos-aanvallen die zijn uitgevoerd met behulp van het Mirai-botnet (dat misbruik maakt van kwetsbare IoT-apparaten). De dos-aanval op DNS-provider Dyn leidde tot grote en merkbare schade door het tijdelijk uitvallen van populaire diensten zoals Netflix.

ENISA komt tot de zorglijke conclusie het opsporen van de daders achter aanvallen (zoals criminelen en statelijke actoren) “welhaast onmogelijk” is en de acties en motieven van de aanvallen achteraf vaak onduidelijk blijven. Dat maakt het op zijn beurt volgens het agentschap bijzonder moeilijk de actoren achter cyberaanvallen en werkwijze te profileren.

De Nederlandse politie krijgt nog een “eervolle vermelding”  (afhankelijk hoe je het bekijkt) van een ‘sophisticated, yet risky way to prosecute cyber-criminal offences’ in het kader van het overnemen van de Hansa-marktplaats op het darkweb.

  1. Ransomware

Ransomware wordt een ‘prominent threat’ genoemd. In het rapport wordt mooi weergegeven wat de tijdlijn is geweest met betrekking tot de WannaCry-aanval die in Nederland tot uitval van (onder andere) de Tweede Maasvlakte heeft geleid. Het verwonderd mij overigens dat de regering in een Kamerbrief laat weten dat deze aanval niet ‘maatschappelijk ontwrichtend’ is geweest. Welke aanvallen zijn dat dan wel, vraag ik mij af. En wat voor een rol speelt het NCSC hierbij nu precies? Is deze enigszins effectief?

Ten slotte werd een interessant nieuwe trend genoemd waarbij gespecialiseerde ransomware zich richt op medische apparaten. Als deze onbruikbaar worden kan dit natuurlijk ook (meestal indirect) de gezondheid van mensen in gevaar brengen. Dit past in de genoemde trend in het rapport waarbij meer gerichte ransomware aanvallen plaatsvinden om geld af te persen van bedrijven of overheidsinstellingen.