Annotatie over (het misbruik van) het ‘Mirai-botnet’

In het nieuwe nummer van Computerrecht is een annotatie over het Mirai-botnet verschenen (.pdf). Ik heb een korte noot bij de zaak Rb. Den Haag 7 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2116 geschreven, omdat de zaak een interessant feitencomplex bevat met een veroordeling voor het eerste succesvolle botnet met IoT-apparaten. Daarnaast is de zaak vanuit juridisch perspectief interessant, omdat de rechtbank Den Haag het begrip ‘geweld’ in het artikel bij het misdrijf ‘afpersing’ in artikel 317 Sr toepast bij de ddos-aanval. De rechtbank Den Haag is daarnaast wat kort door de bocht in de bewezenverklaring van de strafbaarstellingen. Hierover zeg ik het volgende in de noot:

Bewijs van computervredebreuk en is sprake van een ‘dienst van algemene nutte’?

De rechtbank is kort door de bocht als zij stelt dat “een DDoS-aanval kan worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 138ab Sr en artikel 138b Sr”. Van artikel 138b Sr is zonder meer sprake, in dit geval ook in gekwalificeerde vorm in artikel 138b lid 2 Sr, omdat de verdachte gebruik maakte van een botnet. Een ddos-aanval leidt echter niet direct tot overtreding van het delict computervredebreuk in artikel 138ab Sr, omdat het een geautomatiseerd werk ontoegankelijk maakt maar geen sprake is van het binnendringen in een geautomatiseerd werk.

Echter, een botnet is een netwerk van geïnfecteerde computers – in dit geval IoT-apparaten – die door een derde worden aangestuurd. Voor het creëren van een botnet moet wel computervredebreuk worden gepleegd, en wel in gekwalificeerde vorm in artikel 138ab lid 3 sub b Sr.

Daarnaast is het mij niet helemaal duidelijk waarom sprake is van artikel 161sexies Sr, omdat in dat geval is vereist dat de ddos-aanval een ‘gemeen gevaar voor goederen of voor de verlening van diensten te duchten is’. De websites zijn geen ‘diensten van algemene nutte’, zoals overheidswebsites. Volgens de rechtbank is er een ‘gemeen gevaar voor goederen of de verlening van diensten’, omdat de aanval er toe leidde dat vijf andere websites onbereikbaar waren. Het is denkbaar dat deze vijf websites op dezelfde webserver stonden als één van de websites die is aangevallen.

Sprake van ‘geweld’ bij afpersing in de zin van artikel 317 lid 1 Sr?

De rechtbank overweegt verder dat sprake is van het delict afpersing als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarbij stelt de rechtbank dat zonder meer sprake is van ‘geweld’, omdat ‘websites en servers onbruikbaar worden gemaakt’ en ‘maatregelen genomen moeten worden om de aanval af te slaan en de website en server te herstellen’.

Mijns inziens had de officier van justitie simpelweg art. 317 lid 2 Sr ten laste moeten leggen, waarbij geen sprake hoeft te zijn van geweld. Bij art. 317 lid 2 Sr bestaat de dwang bij afpersing uit ‘de bedreiging dat gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, onbruikbaar of ontoegankelijk zullen worden gemaakt of zullen worden gewist’.

Het gelijk stellen van het begrip ‘geweld’ met het onbereikbaar maken van een webserver, zoals de rechtbank Den Haag in deze zaak, is juist niet vanzelfsprekend en onnodig. De officier van justitie had op de zitting de tenlastelegging nog kunnen wijzigen.

Cybercrime overzicht mei-juli 2019

Hoge Raad over scans en computervredebreuk

De Hoge Raad heeft op 9 april 2019 een arrest gewezen over het vereiste van ‘binnendringen’ in ene geautomatiseerd werk (HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:560). In het arrest maakt de Hoge Raad duidelijk dat het enkele gebruik van een scan-programma om kwetsbaarheden op een website te onderzoeken niet voldoende bewijs is om te spreken van ‘binnendringen’ in een deel van een geautomatiseerd werk. Er werd ook geen bewijs geleverd dat een geslaagde aanval door verdacht had plaatsgevonden, maar slechts dat het ‘niet ondenkbaar’ is geweest. Het arrest is niet verrassend of bijzonder interessant en daarom heb ik het geen uitgebreide bespreking gegeven.

Over ‘sivven’, ‘lebben’, ‘mapsen’, ‘nippen’ en ‘spa’

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 mei 2019 verschillende verdachten veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2019:2195) voor de grootschalige verspreiding van phishingmails uit naam van een bank (Rb. Zeeland-West-Brabant 17 mei 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:2195). Daarbij zijn gevangenisstraffen tot en met vijf jaar opgelegd voor het medeplegen van oplichting, computervredebreuk, diefstal en witwassen, allen meermalen gepleegd, deelname aan een criminele organisatie en valsheid in geschrifte. Het onderzoek heeft zich alleen gericht op klanten van één bank. De door de bank geschatte totale schade, veroorzaakt door verdachte en haar mededaders, wordt geschat op meer dan een miljoen euro. De uitspraak is lezenswaardig vanwege de feiten en overwegingen omtrent het digitale bewijs.

De verdachten uit het onderzoek ‘Vari/Willis’ gingen als volgt te werk. Uit naam van een bank werden spam e-mails naar slachtoffers verstuurd. In de mail werden slachtoffers opgeroepen een nieuwe pinpas aan te vragen. Dit proces duurde langzamer dan normaal. De slachtoffers werden gevraagd hun rekeningnummer, pasnummer, pincode, telefoonnummer en e-mailadres in te voeren. Die gegevens werden door de website automatisch doorgezonden naar de medeverdachte, waarmee een nieuwe mobiele telefoonnummer werd geregistreerd voor de Bankieren-app. Als  de slachtoffers vastliepen op de nepwebsite, belde de verdachte uit naam van de bank en leidde hen door het proces. Na het aanvragen van een nieuwe pinpas, werd de pinpas uit de brievenbus van het slachtoffer gevist. Daarna werd de rekening van het slachtoffer, met gebruikmaking van money mules, leeggehaald.

Het digitale bewijs is indrukwekkend, omdat verbindingen worden gemaakt met de gebruikersnamen van verschillende inbeslaggenomen telefoons (incl. back-ups van de telefoons op computers, gegevens uit een Skype-applicaties en gebruikersnamen en berichten uit Whatsappgroepen) en vorderingen bij onder andere ‘payment service providers’. De inhoud van de berichten met woorden als ‘sivven’, ‘lebben’, ‘mapsen’, ‘nippen’, en over een ‘nip’ en een ‘spa’ hebben als bewijs gediend, omdat volgens de rechtbank in het licht van dossier duidelijk is dat slechts sprake is van het ‘achterstevoren spellen van de woorden’ en ‘vissen’, ‘bellen’, ‘spammen’, ‘pinnen’, een ‘pincode’ en ‘pinpas’. Daarbij komt nog bij dat, waar er op de phishing website gevraagd wordt om een pasnummer en pincode in te voeren, deze gegevens worden doorgestuurd met “spanr’ en ‘nip’. Ook is interessant dat één van de verdachten is getraceerd door onderzoek aan de headergegevens in de e-mail die was verzonden. Daaruit kon het IP-adres van een ‘VPS server’ worden afgeleid. Van deze dienstverlener zijn klaarblijkelijk gebruikersgegevens zijn gevorderd. Ook is onder andere bewezen dat de verdachte phishingmails vanaf een server heeft verstuurd en op die server de phishing e-mails en phishingwebsites zijn gevonden.

Uit de uitspraak blijkt dat de opsporingsautoriteiten de telefoon van de verdachte lieten overgaan ten tijde van de aanhouding, zodat deze ‘open’ was. Hier is op aanvraag van de verdediging een proces-verbaal van opgemaakt. De rechtbank bindt geen consequenties aan dit vormverzuim en acht de doorzoeking op grond van 110 Sv voldoende voor het onderzoek aan de gegevensdragers, omdat de gegevensdragers alleen in beslag zijn genomen, waarna de gegevens op de gegevensdrager zijn onderzocht.

Veroordeling voor hacken en publiceren naaktfoto’s, maar geen smaadschrift

De rechtbank Amsterdam heeft op 12 februari 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2019:2124) voor computervredebreuk (Rb. Amsterdam 12 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2124). De verdachte heeft de computers van drie vrouwelijke slachtoffers van een studentenhuis binnengedrongen. De verdachte heeft een gevangenisstraf opgelegd gekregen van 60 dagen, waarvan 32 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar.

De verdachte heeft gebruik gemaakt van de computers na van één hen toestemming te hebben verkregen. De verdachte is daarbij echter verder gegaan dan tot waar de toestemming zich uitstrekte door foto’s van die computers af te halen en verder te gebruiken. De verdachte heeft op die manier computervredebreuk gepleegd met betrekking tot die computers.

De verdachte heeft vervolgens beeldmateriaal gekopieerd door middel van een USB-stick en het downloaden van foto’s van het social media-account. Vervolgens is het beeldmateriaal gekopieerd en zijn daarbij afbeeldingen gemanipuleerd. Daarvoor is gegevensmanipulatie (art. 350a Sr) ten laste gelegd. Hoewel de naam van het delict misschien passend lijkt is hier volgens de rechtbank geen sprake van. De verdachte heeft kopieën van de gegevens verwerkt, waarbij dus de originele gegevens zijn intact gebleven. Hierdoor niet wordt voldaan aan de delictsomschrijving. De verdachte wordt aldus vrijgesproken van dit ten laste gelegde feit.

Het bewerkte beeldmateriaal is daarna terecht gekomen op verschillende pornografische websites, waardoor het lijkt alsof aangeefsters zelf op die websites staan, met alle nare gevolgen van dien voor hun privé- en werkzame leven. De verdachte krijgt ontslag van alle rechtsvervolging voor het ten laste gelegde smaadschrift, omdat de tenlastelegging niet omschrijft wat de concrete gedraging is van de verdachte. Uit deze omschrijving blijkt immers niet wat er is afgebeeld op de gemanipuleerde foto’s en/of filmpjes van aangeefsters. Daarmee is ook niet duidelijk waaruit de aanranding van de eer of goede naam heeft bestaan.

Cybersecuritybeeld Nederland 2019 gepubliceerd

In juni 2019 is een nieuw ‘Cybersecuritybeeld Nederland’ (.pdf) gepubliceerd. Het cybersecuritybeeld is een product van het Nationaal Cyber Security Centrum en biedt inzicht in de dreigingen, belangen en weerbaarheid op het gebied van cybersecurity in relatie tot de nationale veiligheid. Hieronder volgt een opsomming van lezenswaardige elementen uit het rapport.

Dreiging statelijke actoren

In het cybersecuritybeeld wordt de dreiging door ‘statelijke actoren’ (voornamelijk spionage) gezien als de grootste dreiging op het gebied van cybersecurity. De omvang van de dreiging die uitgaat van statelijke actoren blijft groeien. Landen als China, Iran en Rusland hebben offensieve cyberprogramma’s gericht tegen Nederland. Dit betekent dat deze landen digitale middelen inzetten om geopolitieke en economische doelstellingen te bereiken ten koste van Nederlandse belangen.

Ook cybersabatoge door staten heeft plaatsgevonden. Als voorbeeld wordt de malware ‘GreyEnergy’ genoemd, waarmee Poolse energie- en transportbedrijven in 2018 zijn geïnfecteerd. In het verleden zorgde andere destructieve malware, zoals ‘Industroyer’, al voor verstoring van de energielevering in Oekraïne. De groep die GreyEnergy vermoedelijk heeft ontwikkeld, is door het Verenigd Koninkrijk toegeschreven aan Rusland. GreyEnergy wordt als opvolger gezien van ‘BlackEnergy’, een malwaretoolkit die in verband is gebracht met cyberaanvallen op het energienet van Oekraïne in 2015 en 2016. Ook het Duitse Bundesamt für Sicherheit in der Informationstechnik (BSI) besteedde opnieuw aandacht aan cyberaanvallen op de Duitse energiesector. Duitse bedrijven in verschillende vitale sectoren zouden verscheidene malen doelwit zijn geweest van grootschalige digitale campagnes. Hierdoor hebben de aanvallers toegang verkregen tot het kantoornetwerk van verschillende bedrijven. Het vermoeden bestaat dat de aanvallers uit waren op het verkrijgen van een positie binnen het netwerk om deze op een later moment uit te buiten.

In het rapport staat heel duidelijk dat: “verreweg de grootste dreiging op het gebied van economische spionage is afkomstig van China”. Deze spionage wordt gevoed door Chinese economische beleidsplannen, zoals ‘Made in China 2025’ en de ‘Nieuwe Zijderoutes’, waarmee het land zijn economische en geopolitieke invloed kan vergroten. China zet een breed scala aan (heimelijke) middelen in die het verdienvermogen van Nederlandse bedrijven ondermijnen en die op termijn kunnen resulteren in economische en politieke afhankelijkheden. Een van deze middelen is (digitale) economische spionage.

Ten slotte hebben Nederlandse inlichtingendiensten waargenomen dat een aantal Nederlandse ambassades in het Midden-Oosten en Centraal-Azië in 2017 en 2018 doelwit zijn geweest van digitale aanvallen, uitgevoerd door een buitenlandse inlichtingendienst.

Cybercrime en dreigingen door overige actoren

Ook de dreiging van criminelen blijft groot, onder meer door de schaalbaarheid van cybercrime. In de rapportageperiode hebben DDoS-aanvallen ervoor gezorgd dat een aantal Nederlandse banken tijdelijk slecht bereikbaar waren. Ook  de Belastingdienst, de Douane en DigiD waren enkele keren slecht bereikbaar door digitale aanvallen.

In de rapportageperiode zijn geen substantiële aanvallen door hacktivisten tegen Nederland of Nederlandse belangen waargenomen. Scriptkiddies en cybervandalen hebben vooral verstorende aanvallen uitgevoerd op organisaties, meestal met DDoS-aanvallen. Net als vorig jaar lijken criminele actoren verder in te zetten op het creëren van botnets en het verspreiden van cryptominers. De opstellers van het rapport wijzen naar Microsoft die constateert dat besmettingen met ransomware en cryptominers, na een piek begin 2018, de afgelopen periode zijn teruggelopen, zowel wereldwijd als in Nederland. Bedrijven lijken beter voorbereid te zijn op het herstellen van informatie na een ransomwarebesmetting, waardoor er minder losgeld wordt betaald. De inzet van cryptominers lijkt met het teruglopen van de koers van diverse cryptocurrencies af te nemen.

Steeds vaker gegevens van websites met behulp van ‘formjacking’. In dat geval past de aanvaller een website aan zodat informatie die de bezoeker invult bij de aanvaller terechtkomt. Op deze wijze kunnen criminelen bijvoorbeeld creditcardnummers onderscheppen van gebruikers van webwinkels. Volgens het IT-beveiligingsbedrijf Symantec krijgen met name kleine en middelgrote detailhandel krijgt hiermee te maken. De dreiging van insiders is het afgelopen jaar afgenomen. Digitale aanvallen vanuit terroristen zijn ook dit jaar niet waargenomen. Terroristische groeperingen zijn meer gericht op het plegen van fysieke aanslagen.

Weerbaarheid Rijksoverheid

In het rapport wordt verder opgemerkt dat de weerbaarheid van de Rijksoverheid niet op orde is. De Algemene Rekenkamer gaf op Verantwoordingsdag in mei 2018 aan dat op het gebied van ict-beveiliging slechts twee van de elf ministeries hun zaken op orde hadden. De president van de Algemene Rekenkamer stelt dat ‘de politieke en ambtelijke top van ministeries meer aandacht moet geven aan ict-beveiliging’. De veiligheidsmaatregelen zijn niet allemaal uitgevoerd om waterkeringen beter te beveiligen.

In het rapport wordt voorzichtig afgevraagd of er voldoende prikkels bestaan bij de overheid, het bedrijfsleven en bij consumenten om cybersecurity serieus te nemen. Het rapport geeft een alarmerend beeld weer, maar – zoals ook het NRC bijvoorbeeld bericht – het belang van cybersecurity lijkt nog steeds niet helemaal in politiek Den Haag door te dringen.

Brief voortgang aanpak cybercrime gepubliceerd

Op 12 juni 2019 heeft minister Grapperhaus een Kamerbrief (.pdf) verstuurd over de aanpak van Cybercrime. In 2018 zijn dat volgens het CBS 299 reguliere en 43 complexe opsporingsonderzoeken gerealiseerd, waarbij de ambitie 310 respectievelijk 50 onderzoeken betrof. In de afgelopen jaren was steeds sprake van een stijgende lijn in het aantal opsporingsonderzoeken. Ook laten voorlopige cijfers een verhoogd aantal ophelderingen en registraties van verdachten van computervredebreuk zien. Het is verder interessant te lezen dat voor het eerste de nieuwe hackbevoegdheid uit artikel 126nba Sv is ingezet bij het ‘offline halen van één van de grootste online mixers voor cryptovaluta’.

In de Kamerbrief wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die regering heeft genomen om cybercrime beter te bestrijden. Zo wordt geïnvesteerd in de opsporingsmogelijkheden van de politie, kennisontwikkeling binnen het Openbaar Ministerie, publieksvoorlichting en ondersteuning van het lokaal bestuur op het gebied van cybercrime.

De minister geeft aan dat wordt ingezet op een preventieve aanpak van online seksueel kindermisbruik. Zo wordt een expertmeeting voor professionals van scholen, (jeugd)zorg en de strafrechtketen gehouden om de aanpak van de negatieve effecten van sexting te verbeteren. Daarnaast wordt de aanpak van downloaders van kinderporno geïntensiveerd en is de publiek-private samenwerking versterkt om kinderpornografische content sneller van internet te laten verwijderen.

Ten slotte zet de minister in op een bestuursrechtelijke aanpak, om bedrijven die kinderporno niet accuraat verwijderen met een bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium hiertoe te dwingen. In de Wet computercriminaliteit is nu juist het Take down-bevel in artikel 126p Sv geïntroduceerd voor die gevallen dat bedrijven niet vrijwillige meewerken aan het offline halen van illegaal materiaal. Ik ben benieuwd hoe het bovenstaande zich hiermee verhoudt, maar het kan goed zijn dat het parallelle trajecten zijn om kinderporno te bestrijden.

Internetonderzoek door bestuursorganen

In de gemeente Amsterdam mag woonruimte niet meer dan 30 dagen per jaar mag worden verhuurd. Ter handhaving van dit beleid legt de gemeente met behulp van zogenoemde ‘scraping’-technieken elke dag de advertenties en reviews op de advertenties op AirBnB vast. Deze informatie uit ‘open bron’ vormt mogelijk bewijsmateriaal in handhavingsacties. Uit onder andere deze zaak (ECLI:NL:RBAMS:2018:4442) blijkt dat bewoners een last onder dwangsom opgelegd kunnen krijgen als zij – blijkend uit de advertentie en de reviews op AirBnB – de regels uit de Huisvestingsverordening overtreden.

De gemeente Amsterdam is zeker niet het enige bestuursorgaan dat informatie op internet verzamelt ten behoeve van de uitvoering. Zo wordt in het kader van de sociale zekerheid veelvuldig op sociale media en online handelsplatformen als ‘Marktplaats’ gezocht naar informatie die op mogelijke fraude wijst. Op sociale media verschijnen bijvoorbeeld posts die op mogelijke samenleving tussen personen kunnen wijzen, zoals “bij de liefde van mijn leven ingetrokken” (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2016:8215) en kan bij een groot aantal advertenties voor goederen of diensten op Marktplaats het vermoeden rijzen dat er verzwegen inkomsten zijn (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:979).

Ook in het vreemdelingerecht duikt het gebruik van sociale media steeds vaker op. Posts op de tijdlijn van Facebook of de activiteiten op LinkedIn blijken inzicht te verschaffen in de politieke of religieuze activiteiten (ECLI:NL:RBDHA:2017:6180), de seksuele oriëntatie (ECLI:NL:RBDHA:2014:10266) of in de mogelijkheden om vakanties in het buitenland door te brengen, zonder problemen met de autoriteiten te ondervinden (ECLI:NL:RBDHA:2017:7852). Deze informatie kan van belang zijn voor bijvoorbeeld een beslissing over het verlenen van een verblijfsvergunning. Andere opvallende zaken die soms de publiciteit haalden, is bijvoorbeeld de sluiting van de Amsterdamse sexclub Bianca, (mede) vanwege anonieme recensies op hookers.nl (ECLI:NL:RVS:2013:792) en de grootschalige Facebookanalyse die de gemeente Amsterdam uitvoerde om meer grip te krijgen op overlastgevende hangjongeren.

Artikel

In ons artikel (.pdf) in het NJB heb ik samen met Ymre Schuursmans onderzocht in hoeverre openbronnenonderzoek op internet binnen het bestuursrechtelijk kader toelaatbaar is. Binnen het strafrecht en de Wiv 2017 worden nieuwe bevoegdheden geïntroduceerd voor ‘stelselmatig openbronnenonderzoek’, terwijl binnen het bestuursrecht dergelijke plannen ontbreken. Wij analyseren de achtergrond van dit verschil in regulering en bezien of normen en waarborgen uit het strafvorderlijk domein toepasbaar zijn in het bestuursrecht, teneinde de grondrechten van betrokkenen (beter) te beschermen.

Conclusie

In het artikel concluderen wij dat openbronnenonderzoek binnen het bestuursrecht mogelijk is op grond van de algemene onderzoeksplicht in artikel 3:2 Awb. De ernst van de privacy-inmenging bij openbronnenonderzoek verschilt echter van geval tot geval. Met het voorbeeld van de inzet van scrapers uit de inleiding in het achterhoofd, wordt volgens ons door de rechtbank te weinig gemotiveerd akkoord gegaan.

Onze aanbeveling is om in beleid en rechtspraak (en mogelijk in een bijzondere wet, zoals de Participatiewet) een nadere invulling te geven voor stelselmatig openbronnenonderzoek binnen het bestuursrecht. Dat moet duidelijk maken voor welke doelen en onder welke voorwaarden openbronnenonderzoek door bestuursorganen plaatsvindt.

Dergelijk beleid en meer rechtspraak vergroot de voorzienbaarheid van de toepassing van het instrument voor de burger en dwingt bepaalde waarborgen af. Daarbij valt te denken aan een nadere invulling van de proportionaliteitstoets in de toezichtfase (art. 5:13 Awb), het stellen van eisen aan de verslaglegging, het stellen van grenzen aan de duur van het onderzoek, het bepalen van een bewaartermijn van gegevens en de wijze waarop wordt omgegaan met de informatieplicht uit de AVG. Het protocol internetrechercheren voor gemeenten (.pdf) biedt een eerste invulling van deze waarborgen.

Inloggen in het account van de verdachte

Mogen opsporingsdiensten inloggen in het account van een verdachte? Nu.nl kopte recentelijk ‘Rechter: OM mag inloggen op Telegram-accounts van verdachte’ dat dit kennelijk is toegestaan, maar juridisch is er nog onduidelijkheid.

Telegram-uitspraak

Op 22 februari 2019 heeft de rechtbank Rotterdam in hoger beroep geoordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:2712) dat het rechtmatig is om toegang te verschaffen tot het Telegram-account van een verdachte op grond van art. 126ng lid 2 Sv. In eerste instantie weigerde een rechter-commissaris hier een machtiging voor af te geven. De verdachte onderdeel van een onderzoek naar de verspreiding van malware (phishing-software) waarmee toegang is verkregen tot inloggegevens van klanten van onder meer ING bank, Rabobank en Vodafone, waarna geld is weggenomen via internetbankieren.

De rechters overwegen in de uitspraak dat Telegram op voorhand heeft laten weten de gevraagde gegevens niet te zullen en/of kunnen verstrekken. De plaats waar deze gegevens zich fysiek bevinden “in the cloud” is namelijk onbekend en de gegevens zijn door de end-to-end encryptie zonder gebruikmaking van het account van de eindgebruiker niet leesbaar te leveren. De machtiging wordt door de rechter-commissaris afgegeven, met dien verstande dat de machtiging uitsluitend betrekking heeft op de gegevens die op de dag van de aanvraag bij de rechter-commissaris beschikbaar waren. De politie mag nu de inhoud en de gesprekshistorie van het Telegram-account van de verdachte veiligstellen en kopiëren.

De rechters overwegen dat de wetgever voor ogen had met de bevoegdheid de (volledige) inhoud van het opgeslagen berichtenverkeer aan de officier van justitie ter beschikking te stellen. Het betreft dan ook met name het doorbreken van de vertrouwelijkheid van de inhoud van het berichtenverkeer waarop de bescherming van dat artikel ziet, en niet zozeer de vorm waarin de verstrekking van die gegevens na machtiging daartoe door de rechter-commissaris door de provider plaats moet vinden.

Hof Den Haag: mag niet, maar vormverzuim wordt gerelativeerd

In vergelijkbare casus kwam het Hof Den Haag eerder in december 2019 tot een andere conclusie. In deze zaak werd het inloggen op het account gebaseerd op de netwerkzoeking in artikel 125j Sv. Het Hof legt in het arrest (ECLI:NL:GHDHA:2018:3529) uit dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever geen ruimte heeft willen bieden voor de toepassing van een netwerkzoeking op een later moment en op een andere locatie dan (ten tijde van) de plaats van doorzoeking. Deze constatering heeft overigens geen gevolgen voor de verdachte, want het vormverzuim wordt gerelativeerd. Het arrest is overigens ook lezenswaardig omdat wordt ingegaan op het hackverweer (“mijn client is gehackt”), dat advocaten dikwijls gebruiken.

In mijn annotatie noem ik ook andere zaken van de ECLI:NL:RBROT:2018:8017 en ECLI:NL:RBDHA:2019:1329 waarin het inloggen op artikel 126ng lid 2 Sv werd gebaseerd (en ene keer niet toegestaan, de andere keer wel). Artikel 126ng lid 2 Sv vormt in principe ook geen geschikte basis voor een online doorzoeking, omdat dit artikel spreekt van een vordering van opgeslagen gegevens bij een aanbieder van een communicatiedienst.

Hoe nu verder?

De Commissie-Koops stelde al voor de regeling voor de netwerkzoeking aan te passen en uit te breiden, zodat het in de wet duidelijk staat dat opsporingsambtenaren ook achteraf mogen inloggen in het account van een verdachte. De Commissie constateert volgens mij terecht dat “nu, maar zeker in de toekomst, de meeste gezochte gegevens zich niet meer fysiek in de omgeving van het subject maar ergens in de cloud bevinden”. In een wetsvoorstel dat eind 2019 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, wilt de wetgever dit regelen.

De vraag is of de Hoge Raad zich niet eerder zal uitspreken over het bovenstaande vraagstuk. Stel dat de Hoge Raad oordeelt dat het ‘gewoon’ rechtmatig is en in het verlengde ligt van de netwerkzoeking of het vorderen van opgeslagen gegevens bij een communicatiedienstaanbieder, dan gaat de Hoge Raad wel erg ver in de rechtvormende taak, zonder dat de wetgever zich hierover heeft uitgesproken. Aan de andere kant zijn met toepassing van artikel 126ng lid 2 Sv hoge waarborgen voor de verdachte en voorwaarden van de inzet van een bevoegdheid verbonden en is er nú behoefte aan een oplossing. Het is interessant om te zien hoe de Hoge Raad daarmee omgaat.

Digitaal bewijs in moordzaken

In februari en april 2019 zijn diverse uitspraken verschenen waarbij digitaal bewijs een rol speelt in zaken over zware delicten, namelijk moord en doodslag.

Compromitterende zoekopdrachten

In een zaak van 7 februari 2019 speelden de gegevensdragers van een moordverdachte bijvoorbeeld een belangrijke rol voor het oordeel over opzet en voorbedachte raad. Uit mobiele telefoon van verdachte was namelijk af te leiden dat de verdachte op 22 oktober 2015 een pagina bezocht met de titel “Ether. Kunnen we meer dan we denken?”. Op dit forum werd besproken hoe ether is te gebruiken als drugs en op welke wijze het werkt. Op 23 oktober 2015 heeft verdachte daadwerkelijk ether gekocht en gebruikt om het slachtoffer te bedwelmen. Daarnaast werd belangrijk bewijs afgeleid uit de computer op het werk van de verdachte. Uit het persoonlijk gebruikersaccount bleek dat de verdachte verschillende internetsites had bekeken die met wapens verband houden. Ook heeft de verdachte internetsites bekeken die verband houden met giftige kruiden en planten. En op 13 oktober 2015 heeft verdachte een forum bezocht met het onderwerp: “Als je de perfecte moord zou willen plegen…”. Verder heeft de verdachte op 13 oktober 2015 internetsites bezocht met ‘dodelijk gif‘ als onderwerp.

De verdachte heeft het slachtoffer om het leven gebracht door een kussen op het gezicht van de vrouw te leggen een middel om haar, na de bedwelming, de adem te ontnemen, zodanig dat dit haar dood zou worden. Het hof acht zich in het oordeel tot de veroordeling tot moord gesteund door de eerder genoemde zoekgeschiedenis op de bij de verdachte in gebruik zijnde computers en telefoon en zijn uitlatingen over de door hem gewenste dood van zijn ex-vrouw. De verdacht wordt door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld (ECLI:NL:GHARL:2019:1177) tot 20 jaar gevangenisstraf.

Gebruik Wifi-netwerken ter localisering van verdachte

In een zaak over het delict doodslag van de rechtbank Zeeland-West-Brabant speelde digitaal bewijs eveneens een rol, omdat de telefoon van de verdachte op een bepaald tijdstip verbinding maakte met het Wifi-netwerk van het slachtoffer.

In de uitspraak wordt het tijdstip van de Wifi-verbindingen veelvuldig genoemd ter lokalisering van de verdachte. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn eigen woning om het leven gebracht door onder meer tegen het lichaam en het hoofd te slaan en te schoppen.

Het slachtoffer is ten gevolge van dit letsel overleden. De verdachte wordt veroordeeld (ECLI:NL:RBZWB:2019:575) tot 10 jaar gevangenisstraf.

Identificatie op basis van nickname verdachte

In een zaak (ECLI:NL:RBOBR:2019:1102) van de rechtbank Oost-Brabant over een poging tot moord bestond het digitaal bewijs uit internetgeschiedenis op een iPhone die op basis van o.a. Apple-ID naam en informatie uit open bron aan de verdachte werd toegekend. In de uitspraak staat beschreven hoe de bijnaam van de verdachte kon worden afgeleid uit het Apple ID en deze overeenkwam met de bijnaam van de verdachte die de verdachte op internet gebruikte. Dit blijkt uit een ‘OSINT-rapportage’, waar verder niet op wordt ingegaan. Daarnaast straalde de Blackberry van de verdachte aan met een mast die zich bevond in een straatnaam in de pleegplaats. Deze mast stond in de buurt van de woning van aangeefster. Ten slotte is de auto van de verdachte registreert door ‘ARS-camera’s’ op de snelweg, niet lang nadat verdachte klaar is met het zoeken naar de contactgegevens op internet van het slachtoffer.

De verdachte handelde volgens de rechtbank met de koelbloedige liquidatiepoging door middel van het afvuren van een schot in opdracht van een ander. De verdachte heeft ook daarover niets willen verklaren. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 12 jaar. Daarnaast adviseert de rechtbank de tbs-maatregel te doen aanvangen na de tenuitvoerlegging van twee-derde deel van de gevangenisstraf.

Verklaring ‘Facebooken op het toilet’ is onaannemelijk

Ten slotte speelde de mobiele telefoon een belangrijke rol in een moordzaak (ECLI:NL:RBMNE:2019:1362) van de rechtbank Midden-Nederland op 3 april 2019. De verdachte claimde dat de verdachte zichzelf had gestoken. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, omdat hij verklaarde dat hij na binnenkomst in de woning van het slachtoffer direct naar het toilet is gegaan en dat hij met zijn telefoon op Facebook heeft gezeten.

Uit camerabeelden blijkt echter dat de verdachte om 14.30 uur naar de woning van slachtoffer liep en dat zijn telefoon om 14.31 uur contact maakte met de router in de woning van het slachtoffer. Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt echter dat géén technische sporen zijn aangetroffen van Facebook-activiteit op 20 februari 2018 tussen 14.31 uur en 14.36 uur of in de minuten daarna. De Facebook-app van verdachte was die dag voor het laatst opgestart om 13.53 uur en afgesloten om 13.54 uur.

De verdachte wordt veroordeelt tot doodslag door middel van messteken van een 18-jarig slachtoffer. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 10 jaar.

Jurisprudentieoverzicht cybercrime februari – april 2019

Veroordeling in onderzoek “Cyber 007”

Op 28 februari 2019 heeft de rechtbank Noord-Holland in een phishing-zaak geoordeeld (ECLI:NL:RBNHO:2019:1568) met de spannende operatienaam “Cyber 007”.  De verdachte wordt veroordeeld voor diefstal, computervredebreuk en deelname een criminele organisatie. Rekeninghouders van Rabobank en ABN AMRO bank zijn phishingmails verstuurd, waarin stond dat vanwege veiligheidsredenen op korte termijn een vernieuwde bankpas moest worden aangevraagd. Verder werd meegedeeld dat hun huidige bankpas binnenkort automatisch zou verlopen. In de e-mails werd daarom verzocht de aanvraag van de nieuwe bankpas te voltooien en de oude bankpas(sen) op te sturen naar een inleverpunt van de desbetreffende bank voor recycling. De adressen van deze inleverpunten betroffen adressen van verschillende woningen.

Werkwijze

De e-mails werden voorzien van een link, bijvoorbeeld genaamd ‘Nieuwe betaalpas aanvragen’. Via deze link werd men doorverwezen naar een nagebouwde, valse website van de bank, waar de rekeninghouders enkele bankgegevens, zoals hun bankrekeningnummer en pincode, moesten invullen. De opgestuurde bankpassen werden daarna weggenomen uit de brievenbussen van de zogenaamde inleverpunten. In enkele gevallen werden vervolgens de opnamelimieten van deze bankpassen verhoogd en grote geldbedragen gepind. In deze uitspraak werd door de officier van justitie geen bewijs geproduceerd van betrokkenheid bij het verzenden van de e-mails, dus daar werd de verdachte van vrijgesproken.

Kwalificering van de feiten

Door verschillende personen is vervolgens geld met bankpassen gepind, dan wel zijn (luxe) goederen met de bankpassen aangeschaft. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokken personen. Uit de aard van deze handelwijze is volgens de rechtbank sprake geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid, die tot oogmerk had om – door middel van oplichting – bankpassen en bijbehorende pincodes te verkrijgen, daarmee computervredebreuk te plegen (door in te loggen op de internetbankieren omgeving) en computergegevens aan te tasten (door opnamelimieten van bankpassen te verhogen), met als uiteindelijk doel de bankrekeningen van de rekeninghouders leeg te halen (diefstal door middel van valse sleutels) door geld op te nemen uit geldautomaten dan wel aankopen te doen in winkels (diefstal door middel van valse sleutels en/of witwassen).

Gedwongen ontsleuteling iPhone

In de zaak staan ook uitgebreide overwegingen omtrent het gedwongen ontgrendelen van een iPhone 4 met behulp van een vingerafdrukscan. De iPhone die verdachte bij zijn aanhouding bij zich had, is in beslag genomen en door de politie meteen in ‘Flight Mode’ gezet, zodat de telefoon niet van afstand kon worden gewist. Nadat de verdachte weigerde zijn iPhone te ongrendelen is zijn rechterduim, zonder geweld, op de vingerafdrukscanner van de iPhone geplaatst en is de iPhone ontsloten. De rechtbank acht dit rechtmatig gelet op de ernst en aard van de verdenkingen tegen verdachte, het ontbreken van zijn medewerking tot het ontgrendelen van de iPhone, de gerechtvaardigde verwachting bij de opsporingsambtenaren dat zich op de iPhone voor het onderzoek relevante gegevens zouden bevinden en een minder ingrijpend middel tot ontgrendeling van de iPhone niet voorhanden was.

Veroordeling

De verdachte wordt veroordeeld voor 218 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Ook krijgt de verdachte een taakstraf opgelegd van 240 uur en moet hij een schadevergoeding van 2300 euro betalen.

Misbruik van inloggegevens voor het plegen van fraude

Op 14 februari 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBNNE:2019:637) voor oplichting en het aftappen van gegevens. De verdachte heeft door middel gebruik van keyloggers, op grote schaal inloggegevens van studenten van de Hanzehogeschool Groningen verzameld. Zie ook dit leuke artikel ‘Cybercrime op de Hanze’.

Het delict ‘wederrechtelijk aftappen of opnemen van gegevens’ in artikel 139c Sr werd bewezen geacht, vanwege het gebruik van keyloggers waarmee de toetsaanslagen werden verzameld. Door middel van de verzamelde inloggegevens kon de verdachte binnendringen in de klantenaccounts van studenten bij webshops en heeft hij deze accounts gebruikt om frauduleuze bestellingen te plaatsen, hetgeen het delict oplichting in art. 326 Sr oplevert.

De bestelde goederen liet verdachte bezorgen op zorgvuldig uitgekozen adressen, waar hij gemakkelijk de geleverde goederen – uit het zicht van de bewoners – uit de brievenbussen kon vissen. Verdachte heeft door deze handelswijze internetbedrijven en een groot aantal particulieren financieel benadeeld. Daar komt bij dat veel van deze particulieren ook op andere wijze nadeel hebben ondervonden, omdat zij ten onrechte als wanbetaler zijn aangemerkt.

De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 194 dagen, waarvan 180 voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Veroordelingen voor online drugshandel

Het Hof Amsterdam heeft op 27 februari 2019 een verdachte in het onderzoek ‘Lancashire’ veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:587) voor grensoverschrijdende drugshandel via een darknetmarket, gewoontewitwassen en het bezit van verdovende middelen. De verdachte maakte deel uit van een organisatie van zes personen die zich bezighielden met online drugshandel.

Het digitaal bewijs bestond deels uit een aantal (verwijderde) foto’s en hun metadata op de SD-kaart van de fotocamera van de verdachte die weer zijn teruggehaald. Op de foto’s stonden onder andere de pillen die werden verkocht. De handel waarbij de verdachte betrokken was, legde zich met name toe op het bevoorraden van de ‘resellers’ en behoorde daarmee tot het hogere segment van de drugshandel. De verdachte wordt veroordeeld voor in totaal 27 maanden gevangenisstraf.

Dat online drugshandel niet altijd via het darkweb plaatsvindt, laat een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 19 maart 2019 zien (ECLI:NL:RBOBR:2019:1837). In deze zaak ging het over het verkoop van GBL, een stof waarmee GHB kan worden gemaakt. GBL werd via internet vanuit Polen bedrijfsmatig verkocht. De verdachte heeft zijn bedrijf gepresenteerd als een bedrijf dat legaal GBL als schoonmaakmiddel verkocht, terwijl de verdachte het bedrijf in feite gebruikte om GBL als grondstof voor de bereiding van GHB aan zijn afnemers te leveren. De verdachte is bij het plegen van de feiten planmatig te werk gegaan en heeft een deel van zijn bedrijfsactiviteiten verplaatst naar Polen om uit het zicht van de opsporingsautoriteiten te blijven.

In de uitspraak staat een interessante overweging over rechtsmacht. Rechtsmacht van Nederland wordt op grond van art. 2 Sr in deze zaak aangenomen, ondanks dat slechts een deel van het feit in Nederland is gepleegd. De aansturing van strafbare feit vond in Nederland plaats en de stoffen werden in Nederland afgeleverd of opgehaald. Ook bleek uit opgevraagde verkeersgegevens dat de mobiele telefoon van de verdachte zich in Nederland bevond. Vergelijking van de locaties van de twee telefoons levert op dat zij in elk geval op negen verschillende datums beiden de zendmast in een bepaalde woonplaats aanstraalden. Nederland kan daarom als pleegplaats van het strafbare feit worden aangemerkt, waardoor op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht bestaat, hetgeen betekent dat de officier van justitie ontvankelijk is en in zijn vervolging kan worden ontvangen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van het verweer van de raadsman met betrekking tot artikel 7 Sr.

De veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van het voorbereiden en voorhanden van stoffen die bestemd zijn tot het plegen van een feit dat strafbaar is gesteld in de Opiumwet. De verdachte krijg een gevangenisstraf opgelegd van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk en een geldboete van 25.000 euro.

Witwassen van Lindendollars en cryptocurrencies

Op 18 december 2018 werd een verdachte door de rechtbank Rotterdam veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2018:11321) tot het medeplegen van witwassen (art. 420bis Sr) van een bedrag van ruim 826.000 euro met behulp van virtuele currencies. De uitspraak is pas op 19 maart 2019 gepubliceerd. In dit geval bood het bedrijf ‘Virwox’ een platform aan voor het verhandelen van verschillende virtuele valuta’s, zoals bitcoins. Bij dat bedrijf is in maart 2012 een account gemaakt op naam van de verdachte. Via dit account werden bitcoins ingewisseld voor linden dollars (een andere virtuele munt). Deze linden dollars werden op hun beurt omgezet in euro’s en gestort op acht bankrekeningen op naam van de verdachte en iemand anders. Van de bitcoins die via de Virwox-account op naam van verdachte werden omgezet, waren (in elk geval) 72.605 bitcoins afkomstig van één bepaalde handelaar op Silk Road, een darknet market. Op de bankrekeningen die op naam zijn gesteld van de verdachte en iemand anders zijn – via de Virwox-account op naam van de verdachte – bedragen gestort van in totaal respectievelijk € 826.001,- en € 27.715,-. Die bedragen zijn in kleine tranches via pintransacties opgenomen van de bankrekeningen.

Hoewel er niet een (on)middellijk verband is te leggen met een nauwkeurig aangeduid misdrijf als bron van het geld, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het geldbedrag van € 826.001,- een criminele herkomst heeft. Gronden voor die conclusie zijn de hoogte van dat bedrag, de omstandigheid dat het in vele kleine bedragen op acht verschillende bankrekeningen van de medeverdachten is gestort en dat het uiteindelijk grotendeels contant is opgenomen. Daar komt bij dat het geld de vorm heeft gehad van verschillende cryptovaluta’s die in het criminele circuit veel gebruikt worden om de herkomst van crimineel geld te verhullen en dat het geld, in de vorm van bitcoins, voor een groot deel afkomstig is van de online marktplaats Silk Road. Het is een feit van algemene bekendheid dat Silk Road, dat inmiddels is gesloten, veelal gebruikt werd voor criminele transacties.

De rol van de verdachte bij het witwassen is groter geweest dan het enkel contant (laten) opnemen van geld van zijn bankrekeningen. De verdachte heeft diverse bankrekeningen op zijn naam geopend terwijl hij wist wat daar het doel van was. De verdachte wist bovendien dat het om zeer grote totaalbedragen ging en hij had het vermoeden dat het geld afkomstig was van drugshandel. Daarbij komt dat de verdachte – die nauwelijks legale inkomsten had – wekelijks zo’n € 800,- kreeg. Ook zijn er (dure) vakanties voor hem betaald die niet passen bij de inkomsten van de verdachte. Daarmee heeft de verdachte ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij bezig was de criminele herkomst van het geld te verhullen. Daarmee is gegeven dat bewezen kan worden dat zijn opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, was gericht op witwassen.

De verdachte kreeg een gevangenisstraf opgelegd van 12 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

In een andere zaak bij de rechtbank Rotterdam is op 13 maart 2019 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2019:2408) voor het medeplegen van gewoontewitwassen van 4182 bitcoins via bitcoinbeurs ‘Kraken’. De verdachte trad hier een jaar op als geldezel en ontving in die hoedanigheid grote hoeveelheden geld op zijn bankrekeningen tot een totaalbedrag van meer dan één miljoen euro.

De uitbetalingen door Kraken, soms meerdere op één dag, waren per transactie niet hoger dan € 8.999,91. Daarmee bleven de bijschrijvingen op de bankrekeningen van de verdachte steeds onder de meldplicht van de banken. Het totaal van deze bijschrijvingen stond in geen verhouding tot de inkomsten uit arbeid van de verdachte. De op de bankrekeningen van de verdachte bijgeschreven geldbedragen werden vrijwel direct na ontvangst – soms na een (gedeeltelijke) doorboeking naar bankrekeningen van familieleden van de verdachte – contant opgenomen, zonder kennelijke legale economische noodzaak of verklaring daarvoor. De rechtbank overweegt dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat voormelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft zich echter zowel tijdens zijn verhoor door de FIOD als ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Ook in deze zaak overweegt dat de rechtbank dat het ‘een feit van algemene bekendheid is dat bitcoins dikwijls worden gebruikt in het criminele circuit, onder meer in de drugshandel’.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vijf voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Opruiing tot terrorisme via social media

Op 12 februari 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam een minderjarige verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2019:855) voor opruiing tot terrorisme. Op zijn social media kanalen had de verdachte filmpjes geplaatst waarin strijdliederen te horen zijn met een oproep om aanslagen te plegen voor de Islamitische Staat en om zogenaamd ongelovigen de keel door te snijden en te doden. De verdachte beheerde het kanaal waarop 29 oktober 2017 tot en met 3 juli 2018 de filmpjes werden beheerd en verspreid.

In de uitspraak wordt beschreven hoe bijvoorbeeld op één van de filmpjes de keel van een geknielde persoon met zijn op hadden zijn rug werd doorgesneden, terwijl op zijn kleding de tekst “Kuffar” (ongelovige) te lezen is. Op de achtergrond is een persoon met een IS-vlag te zien. Daarna is het hoofd volledig van het lichaam doorgesneden en vervolgens te zien is dat de persoon het hoofd met kracht van het lichaam losrukt.

De rechtbank is met de officier van justitie van mening dat de verdachte niet langer hoeft vast te zitten dan de dagen die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het belangrijkste is dat verdachte zich niet opnieuw met deze opruiende praktijken bezighoudt. Verdachte zit in een intensief hulptraject en heeft zich tijdens zijn schorsing goed gehouden aan de bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding, behandeling en controle.

De rechtbank legt 210 dagen jeugddetentie op, waarvan 133 voorwaardelijk, gelet op de positieve proceshouding van de verdachte, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en zijn medewerking aan de hulpverlening.

Richtlijn voor strafvordering oplichting

Per 1 maart 2019 treedt de gewijzigde ‘Richtlijn voor strafvordering oplichting’ in werking (Stcrt. 2019, 10294. De richtlijn is gewijzigd vanwege de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit III per 1 maart 2019 (Stb. 2019, nr. 67). Met de inwerktreding van deze wet is het nieuwe artikel voor online handelsfraude, artikel 326e Sr, geïntroduceerd. Het artikel maakt het strafbaar als personen een beroep of gewoonte maken van het aanbieden van goederen of diensten op het internet, zonder de intentie om die goederen of diensten daadwerkelijk te leveren.

Deze richtlijn ziet op de meest voorkomende vormen van oplichting, zoals omschreven in art 326 lid 1 Sr, waarbij een of meerdere slachtoffers worden bewogen tot de afgifte van geld of goederen, danwel tot het verlenen van (een) dienst(en). Het gaat daarbij om oplichting al dan niet via internet van burgers of bedrijven, niet van de overheid (verticale fraude).

In de gewijzigde richtlijn is de tabel voor internetoplichting vervangen voor een tabel voor online handelsfraude. Uitgangspunt daarbij is dat slachtofferschap iets zwaarder telt dan het financieel nadeel: meer slachtoffers met een laag schadebedrag levert een hogere straf op dan weinig slachtoffers met een hoog schadebedrag. In de richtlijn is rekening gehouden met de witwascomponent die zich in dit soort zaken veelal voordoet, namelijk het incasseren op de eigen rekening / de rekening van een katvanger en het vervolgens overboeken of opnemen van het geld.

Aanwijzing voor grensoverschrijdende inzet hackbevoegdheid

Op 26 februari 2019 is de “Aanwijzing voor de internationale aspecten van de inzet van de bevoegdheid ex art. 126nba Sv” gepubliceerd (Stcrt. 2019, 10277). De aanwijzing geeft regels voor de toepassing van de hackevoegdheid (artikel 126nba Sv), omdat mogelijk via internet geautomatiseerde werken kunnen worden benaderd  die zich in het buitenland bevinden.

In de aanwijzing staat een rechtshulpverzoek het uitgangspunt voor het plegen van opsporingshandelingen buiten Nederland. In een rechtshulpverzoek moet de officier een verzoek doen de gezochte gegevens te vorderen en/of (zelfstandig) veilig te stellen op basis van de daarvoor in dat land geldende wettelijke grondslagen. Indien op het moment waarop aan de rechter-commissaris machtiging voor de inzet van de bevoegdheid van artikel 126nba Sv gevraagd wordt, bekend is dat de gegevens niet in Nederland zijn opgeslagen, wordt dat in de aanvraag vermeld. Hiermee is in een dergelijke situatie verzekerd dat het aspect van de inbreuk op de soevereiniteit van een andere staat onderwerp vormt van een expliciete afweging door de officier van justitie en de rechter-commissaris.

Als met een redelijke inspanning niet kan worden vastgesteld wat de locatie van geautomatiseerd verwerkte gegevens is, wordt gehandeld alsof de gegevens in Nederland zijn opgeslagen. Daarvan kan blijkens de aanwijzing ook sprake zijn als niet langer kan worden gewacht op een reactie of er geen reactie van het land is te verwachten op een rechtshulpverzoek. Ook kan hiervan bijvoorbeeld sprake zijn bij het gebruik van anonimiseringssoftware of opslag in de cloud. Met een ingewikkelde formulering wordt de redelijke inspanning beschreven met: ‘de tijd en moeite voor het vaststellen van een specifieke geografische locatie in een reële verhouding tot de noodzakelijkheid van onverwijld optreden, de tijdsdruk en de doorlooptijd van het onderzoek’. In de aanwijzing wordt een interne procedure bij het Openbaar Ministerie beschreven die moet worden gevolgd.

Afwegingscriteria

Als afwegingscriteria voor de (mogelijke) grensoverschrijdende inzet staan in de aanwijzing: (a) ernst of onmiddellijkheid van de gevolgen van de aanval of dreiging; (b) aard en ernst van het strafbare feit; (c) vluchtigheid van de gegevens of informatie die wordt gezocht, en of die moet worden veiliggesteld, danwel ontoegankelijk moet worden gemaakt; (d) mate van betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde en de gevolgen daarvoor (inclusief slachtofferbelangen) (e) de aard van de te verrichten opsporingshandelingen: afhankelijk van de mate van ingrijpendheid, mate van inbreuk op de privacy van de verdachte, mate van inbreuk op privacy van slachtoffers die middels het geautomatiseerde werk wordt gemaakt en (f) risico’s voor het geautomatiseerde werk, d.w.z. technische risico’s en een inschatting van de mogelijke schade voor derden.

Als tijdens de onderzoekshandelingen blijkt dat deze gericht zijn op gegevens die zich op het territorium van een specifieke andere staat bevinden, wordt zo snel mogelijk alsnog een rechtshulpverzoek gedaan aan de desbetreffende staat voor het gebruik van deze gegevens en het onderzoek of besloten de onderzoekshandelingen te stoppen. De uitzondering daarop is dat het belang van het onderzoek groter wordt geacht dan de mogelijke schending van de soevereiniteit van die andere staat of staten. Dat brengt mee dat de officier van justitie in alle gevallen aan de rechter-commissaris meldt wat bekend is over de locatie van de gegevens. Dat geldt dus ook in het geval dat er niets bekend is over de locatie van de gegevens.

Kort commentaar

De overwegingen en instructies in de richtlijn zijn niet verassend, omdat de wetsgeschiedenis over de Wet computercriminaliteit III soortgelijke overwegingen aangeeft. Wat mij betreft komt in de aanwijzing nu duidelijker naar voren dat de grensoverschrijdende inzet ook toelaatbaar wordt geacht als de reactie op een verzoek te lang zich laat wachten, of geen reactie van het land is te verwachten. Ook bleek in de wetsgeschiedenis nog het uitgangspunt te zijn dat het desbetreffende land altijd wordt geïnformeerd over de inzet van de hackbevoegdheid als de locatie bekend wordt, terwijl nu – als ik het goed begrijp – een uitzondering van toepassing kan zijn als ‘het belang van het onderzoek groter wordt geacht dan de mogelijke schending van de soevereiniteit van die andere staat of staten’.

Ik blijf benieuwd hoe internationaal strafrechtjuristen hierover denken die niet zozeer gespecialiseerd zijn in IT-recht, dus ik houd mij aanbevolen voor publicaties of reacties op het onderwerp.

 

Jurisprudentieoverzicht cybercrime – december-februari 2019

Hieronder volgt weer een overzicht van cybercrimezaken in de maanden december-februari die mij zijn bijgebleven. Het waren te veel zaken om allemaal een plek te geven, dus ik heb een selectie gemaakt. Daarbij heb ik dit keer extra gelet op zaken die interessante vragen met zich meebrengen op het gebied van strafvordering.

Inloggen op accounts met de credentials van een verdachte?

In de rechtspraak is een interessante discussie op gang gekomen over de vraag of opsporingsambtenaren na de inbeslagname van een gegevensdrager achteraf mogen inloggen op een account. In dat geval zijn de credentials (inlognaam en wachtwoord) rechtmatig verkregen.

In twee gevallen is over de beslissing van de rechter-commissaris een beschikking gepubliceerd. In de eerste beschikking keurde de rechter-commissaris de aanvraag tot inloggen niet goed, omdat artikel 126ng lid 2 Sv ziet op het vorderen van opgeslagen gegevens bij een elektronische communicatiedienstaanbieder en niet op een zoeking en overnemen van gegevens op afstand. In de tweede (recente) beschikking gaf de rechter-commissaris wél een machtiging – na tussenkomst van de officier van justitie – aan een opsporingsambtenaar om in te loggen op de verschillende e-mailadressen en datingsites.  De rechter-commissaris achtte zich, op grond van artikel 181 Sv, bevoegd om deze beslissing te nemen, hoewel ook wordt opgemerkt dat de wet (nog) niet voorziet in een specifieke bevoegdheid om in te loggen op e-mailadressen en websites en gegevens vast te leggen. De Rechtbank Den Haag overweegt ten eerste dat het verschil tussen een vordering tot de gegevens en het inloggen en overnemen van gegevens op afstand ‘niet wezenlijk’ is, omdat het om dezelfde soort gegevens gaat. Ten tweede is het inloggen op de e-mailadressen en websites met vooraf beschikbare gebruikersnamen en wachtwoorden een eenvoudige en weinig risicovolle wijze van binnendringen in een geautomatiseerd werk. Ten derde is de inbreuk voor de betrokkene niet groter bij het inloggen en vastleggen van gegevens dan bij het vorderen van gegevens bij de aanbieder.

In het licht van deze tweede beschikking is ook het arrest van het Hof Den Haag van 19 december 2018 zeer lezenswaardig. Hierbij heeft de politie met toestemming van de rechter-commissaris op het politiebureau de inhoud van de mailbox van het Hotmail-account en een Gmail account (1001 e-mails) van de verdachte gekopieerd (8643 e-mails).   Kortgezegd overweegt op grond van de regeling van de netwerkzoeking geen zoeking achteraf en op afstand mag plaatsvinden. De advocaat-generaal vindt dit door de beugel kunnen op grond van de regeling van de netwerzoeking in art. 125j Sv. Het Hof overweegt kort gezegd dat de netwerkzoeking gekoppeld aan de doorzoeking van een plaats ter vastlegging van gegevens (zoals ook gewoon letterlijk in de wet staat, zou ik daaraan willen toevoegen). Het Hof Den Haag overweegt dat de netwerkzoeking daarmee los staat van de inbeslagnemingsbevoegdheden, in die zin dat niet kan worden gezegd dat de bevoegdheid tot inbeslagneming reeds de bevoegdheid tot het doen van een netwerkzoeking impliceert. Ook hierin ligt een argument besloten voor het oordeel dat de netwerkzoeking niet pas na de feitelijke inbeslagname van een gegevensdrager (alsnog) mag worden toegepast, en derhalve op een later moment en op een andere locatie, zoals in casu wel is gebeurd. Een ruime uitleg van art. 125j Sv waarmee achteraf met de credentials van de verdachte mag worden ingelogd gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten volgens het hof.

Het arrest is daarnaast interessant vanwege de ten laste gelegde feiten (drieweg-phishing (per mail, nagemaakte website en malware)) en de overwegingen omtrent het hackverweer (zie ook hieronder). Over het arrest heb ik een annotatie geschreven die over een tijd in Computerrecht verschijnt.

Overzichtsarrest hackverweer van Hof Den Haag

Het Hof Den Haag wijdt in haar arrest van 19 december 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:3528) dezelfde overwegingen aan het “hackverweer” als in de bovengenoemde zaak. Het hackverweer wordt dikwijls in cybercrimezaken gebruikt, waarbij de verdediging stelt dat niet de verdachte maar iemand anders via de gehackte computer van de verdachte de feiten is begaan. De overwegingen hierover van het hof zijn daarom heel belangrijk en stelt een nieuwe norm m.b.t. het hackverweer. Ik vind het wel jammer dat het allemaal nogal juridisch met veel tussenzinnen is geschreven, waardoor het arrest lastiger leesbaar wordt. Ook het aantal factoren waarmee rekening moet worden gehouden en alle uitzonderingen maakt het allemaal niet eenvoudig, maar wel volledig zullen we maar zeggen. In dit bericht vat ik de omgang met het verweer samen.

Deze vrij oude zaak ging over het bezit en verspreiding van kinderpornografische afbeeldingen via het peer-to-peer netwerk ‘eDonkey2000’. In een map zijn kinderpornografische afbeeldingen gevonden en uit de zoektermen kon worden afgeleid dat is gezocht naar kinderporno.

Het Hof stelt voorop dat bij de beoordeling van het hackverweer als maatstaf dient te worden aangelegd of – alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemende – dit verweer al dan niet in meer of mindere mate aannemelijk is geworden (zie HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359). Het is aan de verdachte om die feiten en omstandigheden aan te voeren. Volgens vaste jurisprudentie mag de rechter, naast de weerlegging in de bewijsmotivering, ook de onwaarschijnlijkheid, onaannemelijkheid en/of de ongeloofwaardigheid van alternatieve scenario’s in zijn oordeelsvorming betrekken. Volgens het Hof mag de rechter er, behoudens sterke aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uitgaan dat op een computer (of in een beveiligde online omgeving) aangetroffen gedownloade of gekopieerde bestanden daarop zijn geplaatst door de gebruiker van die computer. Ook mag de rechter er, behoudens sterke aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uitgaan dat wanneer uit nadere (meta)data blijkt dat bepaalde websites of bepaalde bestanden zijn geopend, die handelingen zijn verricht door de gebruiker van die computer.

Het enkele feit dat op een computer sporen zijn aangetroffen van malware betekent nog niet noodzakelijkerwijs dat dit een aannemelijke verklaring vormt voor de aanwezigheid van bepaalde (digitale) delictsporen, zoals opgeslagen browser- of communicatieactiviteiten en kinderpornografische afbeeldingen. Het is niet vereist dat kan worden uitgesloten dat een bepaalde computer is “gehackt”. Kortom, de theoretische mogelijkheid dat de betreffende computer is gehackt, zonder dat daarbij tevens een specifieke relatie wordt gelegd met de feiten uit de betreffende zaak en het daarin verrichtte (digitaal-forensische) onderzoek, is in de regel op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat de computer is gehackt. Het Hof noemt de volgende factoren die bij het hackverweer in ogenschouw kunnen worden genomen:

  1. het al dan niet aantreffen van (sporen van) hackingsoftware of zogenaamde remote access tools, en van het ongeautoriseerde gebruik door derden daarvan, op de betreffende computer;
  2. het niveau van fysieke en digitale bescherming van de computer tegen gebruik door derden/(digitaal) binnendringen.
  3. de aan- dan wel afwezigheid van digitale sporen (en/of andere feiten en omstandigheden) waaruit, bijvoorbeeld vanwege de inhoud, kan worden afgeleid wie (ook) op of omstreeks het moment van plegen van de strafbare gedragingen de gebruiker van de computer was. Bij onderzoek kan bijvoorbeeld blijken dat vanaf de computer zeer kort voor of na de strafbare handelingen ook communicatie (email, chats) is gevoerd, waarvan de inhoud een relatie heeft met de verdachte (dan wel een bepaalde derde) of dat gegevens zich op bestandslocaties bevinden die redelijkerwijs alleen bekend of toegankelijk waren voor de verdachte;
  4. de mate waarin, en het moment waarop, de verdachte medewerking heeft verleend aan eventueel nader onderzoek naar zijn verweer. Hierbij kan gedacht wordt aan het al dan niet (tijdig) verstrekken door de verdachte van bijvoorbeeld wachtwoorden en toegangscodes, welke nodig zijn voor het verrichten van (nader) digitaal- forensisch onderzoek;
  5. andere feiten en omstandigheden die wijzen op een bijzondere (inhoudelijke) betrokkenheid van de verdachte of een derde bij de op of via de betreffende computer gepleegde gedragingen, zoals fysieke sporen (bijv. afbeeldingen of valse credit cards) die bij de verdachte of derden zijn aangetroffen en die een relatie hebben met de op de computer aangetroffen digitaal-forensische sporen (bijv. digitale kinderpornografie; gephishte credit card gegevens);
  6. getuigenverklaringen omtrent het gebruik van de betreffende computer door verdachte dan wel door derden;
  7. de aan- dan wel afwezigheid van een motief voor derden om in de computer van de verdachte binnen te dringen.

Het arrest is ook lezenswaardig vanwege het uitgebreide digitaal forensisch onderzoek dat is gedaan en de motiveringen daaromtrent. Ondanks dat er malware op de computer van de verdachte is gevonden blijkt uit forensisch onderzoek dat  het niet waarschijnlijk is dat een derde de feiten heeft begaan. Daartegenover staat dat de verdachte enkele minuten voor gedragingen met kinderpornografisch materiaal de computer heeft gebruikt voor zijn werk. Enkele minuten na de gedragingen met kinderpornografisch materiaal wordt door de verdachte gebruik gemaakt van Microsoft Outlook om persoonlijke e-mail te bekijken en in de tussenliggende periode gebruik gemaakt van de internetpagina sexdatingstad.nl met een account dat op basis van de vanaf zijn betaalrekening betaalde credits aan de verdachte kan worden toegeschreven.

De verdachte wordt veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 15 voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. De apparaten waarmee de feiten zijn begaan (een PC, externe harde schijf en router) zijn verbeurd verklaard.

Gedwongen ontgrendeling smartphone niet in strijd met nemo-tenetur beginsel

De Rechtbank Noord-Holland heeft op 14 december 2018 een verdachte veroordeeld (ECLI:NL:RBNHO:2018:11578) voor drugssmokkel (cocaïne) via Schiphol. De zaak is interessant, omdat de Koninklijke Marechaussee (Kmar) de verdachte onder de dreiging van dwang zijn pincode heeft laten afgeven om een smartphone te ontgrendelen voor nader onderzoek aan de telefoon.

De raadsman van de verdachte betoogt dat het onderzoek aan de telefoon van de verdachte onrechtmatig is geweest. De verdachte heeft de pincode van zijn telefoon niet vrijwillig gegeven, maar onder dreiging van fysieke dwang. De Kmar dreigde immers onder dwang de vingerafdruk van verdachte te gebruiken om zijn telefoon te ontgrendelen. ‘Enkel om het uitoefenen van fysieke dwang te voorkomen heeft verdachte de pincode van zijn telefoon gegeven. Nu de pincode van de telefoon is verkregen als gevolg van het uitoefenen van ongeoorloofde pressie, is er sprake van handelen in strijd met het nemo tenetur beginsel en dient dit als onherstelbaar vormverzuim te worden beschouwd’, zo betoogt raadman. Het nemo tenetur beginsel is het beginsel dat een verdachte niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling (afgeleid van het recht op een eerlijk proces uit art. 6 EVRM). Het noemen van de pincode zou dan worden beschouwd als een verklaring, waarvan de code en resultaten van het onderzoek door het vormverzuim niet zou kunnen worden gebruikt als bewijs. De rechtbank stelt ook dat de verdachte niet in volledige vrijwilligheid zijn pincode heeft gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet gehandeld in strijd met het nemo tenetur beginsel en was de Kmar bevoegd om – met toestemming van de officier van justitie – onder dwang de vingerafdruk af te nemen van verdachte teneinde de smartphone te ontgrendelen. Een dergelijk bevel is vergelijkbaar met het (onder dwang) afnemen van vingerafdrukken voor opsporingsonderzoek. Het gaat om biometrisch materiaal dat onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat en zonder zijn medewerking zou kunnen worden verkregen. De rechtbank neemt bij haar oordeel in aanmerking dat er een zwaarwegend belang bestond om de telefoon te ontgrendelen (nu verdachte werd opgehouden voor een ernstig strafbaar feit) en de inbreuk op de lichamelijke integriteit gering is. Volgens de rechtbank is geen sprake van een vormverzuim.

De rechtbank Den Haag kwam op 12 maart 2018 overigens tot een vergelijkbaar oordeel (ECLI:NL:RBDHA:2018:2983). Daar ging het om een kindontvoeringszaak en nam de rechtbank in overweging dat snel moest worden gehandeld en de dwang niet disproportioneel werd geacht.

Ik vermoed dat het laatste woord over het gedwongen ontgrendelen van smartphones nog niet is gezegd..

Aydin C. ook in hoger beroep veroordeeld

Op 14 december 2018 heeft het Hof Amsterdam de ‘webcamafperser’ Aydin C. in hoger beroep veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2018:4620) voor o.a. computervredebreuk (art. 138ab Sr), bezit van kinderpornografisch materiaal (art. 240b Sr), aanranding (art. 246 Sr), afdreiging (art. 318 Sr) en oplichting (art. 326 Sr). Over de zaak in eerste aanleg heb ik een annotatie geschreven. Daar ga ik vooral in op de vraag of er een wettelijk grondslag bestaat voor de software waarmee toetsaanslagen en screenshots van de computer van de verdachte zijn vastgelegd.

In hoger beroep wordt het gebruik van software ook legitiem geacht. Wat mij in het hoger beroep vooral opvalt is dat het Hof het verzoek van de verdediging om het digitale bewijsmateriaal wel erg eenvoudig ter zijde schuift. De verdediging verzoekt:

“Het gaat hierbij om verzoeken die betrekking hebben op de (tot op heden) geweigerde inzage in de forensische kopieën van alle gegevensdragers, inzage in alle opnamen/resultaten van de ingezette keylogger en inzage in de WE-logs en VPN-logs, nader onderzoek naar de “verdwijning” van de keylogger van een van de computers van de verdachte, nader onderzoek door een deskundige van het installatieproces van de keylogger, verstrekking van alle IP-taps, onderzoek (door een deskundige) van de Facebookrapporten en verstrekking van niet eerder vrijgegeven gedeelten van die rapporten, nader onderzoek (door een deskundige) van de OVC-opnamen, verstrekking van de Skype-gegevens van alle D’s, verstrekking van informatie over de Britse undercoveroperatie en nader onderzoek naar vormverzuimen voorafgaande aan de aanhouding van de verdachte.”

Bijna geïrriteerd overweegt Hof Amsterdam dat in eerste aanleg de verdediging al kennis heeft kunnen nemen van de processen-verbaal, aanvullende vragen heeft kunnen stellen en een verklaring heeft gekregen van een projectleider Keuringsdienst van de Landelijke Eenheid. De verzoeken van de verdediging ziet het hof als een ‘fishing expedition’. Bovendien zou het bewijs niet hoofdzakelijk steunen op het gebruik van de software. De rechters vinden het dus niet nodig aan verdere verzoeken van de verdediging te voldoen. De zaak is – ook in hoger beroep – lezenswaardig en nadere bestudering waard vanwege het digitale bewijs dat wordt vermeld en de overwegingen van het hof.

Zonder de zaak verder te bestuderen en te duiken in het recht van de verdediging om digitaal bewijs te kunnen toetsen, kan ik niet zeggen of het hof een juiste beslissing heeft genomen. Het is wel helder dat hierbij vaker vragen worden gesteld door advocaten, zoals bijvoorbeeld in dit artikel over digitaal bewijs. De politie en het Openbaar Ministerie willen natuurlijk niet dat de naam en precieze werking van de software naar buiten komt (laat staan de broncode), omdat criminelen hier eventueel hun gedrag op kunnen aanpassen (al zie ik op het eerste gezicht nog niet voor mij op welke manier). Het gaat met andere woorden om de bescherming van hun modus operandi. Maar misschien zijn er wat tussenvarianten mogelijk. In de eerste PGP-zaak mocht de verdediging bijvoorbeeld wel zien hoe de software ‘Hansken’ van het NFI werkt door achter een computer te zitten waarop de software draaide. Ook kan worden gedacht aan een toets door een onafhankelijk deskundige, zoals ik ook in mijn noot in eerste aanleg heb opgemerkt.

De discussie over het toetsen van digitaal bewijs zal de komende jaren steeds belangrijker worden, omdat ik verwacht dat digitaal bewijs een steeds prominentere rol in strafzaken zal innemen (ook in niet-cybercrime zaken) en het gebruik van software met nog meer functionaliteiten zal toenemen vanwege de hackbevoegdheid die na de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit III mag worden ingezet.

Hof Amsterdam acht het doorzoeken van PGP-telefoon ‘niet-stelselmatig’

Het Hof Amsterdam heeft op 14 december 2018 een verdachte in hoger beroep veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2018:4610) voor het medeplegen van moord. De verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd van 20 jaar. De zaak vermeld ik kort, omdat het laat zien wat voor een uiteenlopende jurisprudentie en onduidelijke norm volgt op het smartphone arrest van de Hoge Raad. Dat arrest van de Hoge Raad brengt met zich mee dat een bevel van een officier van justitie of een machtiging van een rechter-commissaris noodzakelijk is als het onderzoek stelselmatig van aard wordt en een meer dan geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte met zich meebrengt.

In deze zaak waren de PGP-telefoons van drie verdachten in beslag genomen, waarop het Nederlands Forensisch Insituut (NFI) de telefoon heeft geopend en het opsporingsteam de inhoud heeft onderzocht. De raadsman van de verdachte betoogt dat het onderzoek aan de lijst met contactpersonen, berichten die zijn verstuurd met de applicatie ‘Pretty Good Privacy’ (PGP) en notities via de applicatie ‘MemoPad’ op het Blackberry-toetsel onrechtmatig is geweest, omdat het onderzoek stelselmatig zou zijn geweest, terwijl het toestel door opsporingsambtenaren in beslag is genomen en daarop onderzoek is gedaan op grond van art. 94 Sv jo 95 en 96 Sv.

Het Hof overweegt dat met de kennisname van tekstberichten en notitie niet een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het privéleven van de verdachte is verkregen. De kennisname van de contactpersonen, berichten en notities op de telefoon zou slechts een zeer beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleveren. En de gegevens bevatten volgens het Hof niet zodanige informatie dat een min of meer volledig beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte, ook niet indien deze data en de inhoud van de berichten in onderlinge samenhang worden beschouwd.

Drugshandel via het darkweb, wapenbezit en witwassen

Tot slot nog een mooie zaak over drugshandel via darknet markets, cryptocurrencies en witwassen. Vooral de wijze waarop de digitale opsporing heeft plaatsgevonden is mooi om te lezen in deze zaak.

De rechtbank Overijssel heeft op 15 januari 2019 een verdachte veroordeeld voor drugshandel via het darkweb, wapenbezit en witwassen. De verdachte en medeverdachten verkochten XTC en LSD aan op darknet markets. De pakketjes met drugs werden per post gestuurd naar Frankrijk, Zwitserland en de VS.

De telefoon van verdachte werd afgeluisterd en daaruit bleek dat verdachte zich bezig hield met het overmaken van geld en met Bitcoin-transacties en dat hij drugs had laten testen bij Jellinek. In de zaak werden medewerkers van Team Werken Onder Dekmantel (WOD) ingezet om (waarschijnlijk) binnen een infiltratietraject in het onderzoek ‘26Pecan’ de verdachte te ontmoeten en in totaal 71,72 Bitcoins (destijds € 61.335,00) om te wisselen voor contant geld. Uit analyse van de door verdachte gebruikte bitcoinadressen bleek dat het merendeel daarvan rechtstreeks gevoed werd door bitcoins afkomstig van darknet markets, waaronder de populaire marktplaatsen ‘Hansa Market’, ‘Dream Market’ en ‘Valhalla’. Verdachte gaf tijdens de ontmoetingen met de medewerker van het team WOD aan dat de bitcoins afkomstig waren uit de verkoop van drugs via het dark web en dat hij ervoor zorgde dat de bitcoins werden omgezet naar geld en dat ‘de jongens’ hun drugsvoorraad kregen zodat ‘die jongens’ dit weer konden verkopen op de ‘black markets’.

Daarop werd een pseudokoop van de aangeboden drugs gedaan en werd na betaling met bitcoins een envelop met 5 gram cocaïne geleverd. Hierop vonden er doorzoekingen plaats in de woningen van de verdachte en medeverdachten. Daar werd onder andere drugs, verpakkingsmateriaal voor het versturen van pakketjes, en een schatmijn aan informatie op een USB-stick gevonden. Daarop stond een voorraad- dan wel een verkooplijst van verdovende middelen naar verschillende (internationale) adressen, een recovery code voor een bitcoin wallet, diverse wachtwoorden, gebruikersnamen en vendornamen. Ook werd een recovery-sheet met daarop 24 woorden aangetroffen bovenop een kledingkast in een slaapkamer van de verdachte. Deze 24 woorden vormden samen een zogenaamde ‘seed’ van een “Nano Ledger”. Na het invoeren van de betreffende seed kreeg het onderzoeksteam de beschikking over 21,06581383 bitcoins afkomstig indirect of direct van darknet markets.

Toen de politie de doorzoeking uitvoerde zat de verdachte – niet geheel toevallig vermoed ik – achter zijn laptop terwijl hij met zijn alias was ingelogd op Dream Market. De laptop was voorzien van het besturingssysteem ‘Tails’, dat de rechtbank beschrijft als een besturingssysteem dat geen sporen nalaat en volledig versleuteld is. Op de laptop bevond zich een tekstbestand maandag.txt met daarin adressen, het tekstbestand dep.txt met daarin inloggegevens van een ‘vendor’, een tekstbestand wws.txt met daarin wachtwoorden en pincodes voor de vendor. Ook werden er PGP sleutels aangetroffen op de laptop van verdachte. Ten slotte zijn na een netwerkzoeking twee bitcoinwallets gevonden en is op het account op Dream Market een tegoed van 0,08746 bitcoin en 3,2573 Monero gevonden.

De verdachte is veroordeeld voor drugssmokkel, het bezit van wapens en drugs, en witwassen. De verdachte krijgt een gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd.

Nieuw boek: Strafrecht en ICT

Vanaf nu is het boek Strafrecht en ICT beschikbaar! Het boek betreft een studieboek en naslagwerk over cybercriminaliteit.

In het boek bundelen Bert-Jaap Koops en ik onze krachten en updaten wij het boek ‘Strafrecht en ICT’ uit 2007 (destijds uitgebracht onder de redactie van Bert-Jaap Koops).

Materieel strafrecht en ICT
Wij behandelen in hoofdstuk 2 van het boek uitvoerig de strafbepalingen, wetsgeschiedenis en jurisprudentie over computercriminaliteit in enge zin (met delicten als computervredebreuk, de verspreiding van kwaadaardige software (malware) en ddos-aanvallen) en computercriminaliteit in brede zin (met delicten als fraude, oplichting en online zedendelicten). Vergeleken met de tweede druk uit 2007 is er meer jurisprudentie beschikbaar, waardoor de bepalingen beter zijn uitgekristalliseerd. Ook zijn er delicten bijgekomen of aangepast, onder andere vanwege de Wet computercriminaliteit III, zoals heling van gegevens en sextortion.

Formeel strafrecht en ICT
Hoofdstuk 3 gaat over formeel strafrecht en ICT. Het hoofdstuk behandeld alle relevante opsporingsbevoegdheden die worden in gezet in opsporingsonderzoeken naar cybercriminaliteit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de Wet vorderen gegevens, de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden en de bepalingen omtrent de doorzoeking van plaatsen en inbeslagname van computers. Ook de hackbevoegdheid en de take down-bevoegdheid uit de Wet computercriminaliteit III komen uiteraard aan bod. Zowel in het hoofdstuk over het materieel strafrecht als het hoofdstuk over het formeel strafrecht kijken we enige tijd vooruit en spreken we enkele toekomstverwachtingen over het vakgebied uit.

Grensoverschrijdende digitale opsporing

Het laatste hoofdstuk van het boek gaat over grensoverschrijdende digitale opsporing. Ik mijn hoofdstuk bouw ik voort op mijn werk uit mijn proefschrift, Tekst en Commentaar en nieuwe jurisprudentie. In het hoofdstuk ga ik onder andere in op de grensoverschrijdende toepassing van het vorderen van gegevens, undercover bevoegdheden en de hackbevoegdheid.

Het is een genoegen geweest samen met Bert-Jaap Koops aan het boek te werken. Kennis die ik niet kwijt kon in mijn proefschrift of andere publicaties heeft nu een plek gekregen in het boek. Het boek is nadrukkelijk niet alleen als studieboek geschreven, maar ook als naslagwerk voor wetenschap en praktijk. Het boek heeft hopelijk veel waarde voor juristen die zich in de praktijk bezighouden met cybercriminaliteit en voor juristen die meer willen weten over cybercriminaliteit.