Artikel conceptwetsvoorstel versterking bestrijding computercriminaliteit (‘Wcc III’)

In oktober 2010 is een
artikel van mijn hand over het conceptwetsvoorstel ‘versterking bestrijding
computercriminaliteit’ in het Tijdschrift voor Internetrecht verschenen. Het
artikel is hier te downloaden. In het artikel ga ik
uitvoerig in op de voorgestelde Notice-and-Take-Down bevoegdheid en de
dwangsombevoegdheid van de officier van justitie. In dit bericht wordt kort
ingegaan op de inhoud van mijn artikel, aangevuld met informatie uit een
vergelijkbaar artikel over het wetsvoorstel van prof. Koops in het NJB. De
punten uit mijn vorige bericht over het conceptwetsvoorstel komen nu niet meer aan bod.

NTD-bevel

In artikel 125p Sv wordt
een Notice-and-Take-Down bevoegdheid voor de officier van justitie voorgesteld.
Met het artikel wordt artikel 54a Sr als het ware ‘gerepareerd’. Aan dat
artikel kleefden te veel bezwaren om rechtsgeldig te kunnen worden toegepast.
Die reparatie was noodzakelijk en daar is in principe niets mis mee. Belangrijk
is wel dat er een belangrijke waarborg, de machtiging van de
rechter-commissaris, wegvalt en het artikel een bredere toepassing heeft, omdat
het geldt voor communicatieaanbieders i.p.v. aanbieders van een
telecommunicatiedienst. Bovendien kan getwijfeld worden of het op basis is van
Europese regelgeving wel mogelijk is een officier van justitie het bevel tot
NTD te laten afgeven.

Er zijn zeker situaties
te bedenken waarbij het wenselijk is dat informatie van het internet wordt verwijderd
en dit met een middelen kan worden afgedwongen. Met prof. Koops ben ik het
echter eens dat de machtiging van de rechter-commissaris in het artikel terug
zou moeten komen, gezien de reikwijdte van het artikel (alle strafbare feiten)
en de spanning met het recht op de vrijheid van meningsuiting. In het artikel
ga ik hier dieper op in.   

De opmerkingen van prof.
Koops komen met die van mijzelf grotendeels overeen. Koops merkt terecht nog op
dat er in art. 125p Sv geen notificatieplicht staat, zodat degene die de
informatie online heeft geplaatst er zelf moet achterkomen dat de strafbare
informatie is verwijderd. Dat is wellicht onwenselijk.

Last onder dwangsom

In mijn artikel ga ik uitgebreid in op de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom als
dwangmiddel bij niet-nakoming van het NTD-bevel. Dit dwangmiddel komt oorspronkelijk uit het bestuursrecht en wordt plotseling binnen het strafrecht toegepast. De grondslag voor de rechtmatigheid van deze
bevoegdheid is slecht beargumenteerd en dit moet worden verbeterd. Men baseert
zich namelijk op een rapport over een heel andere wet (de Wet op de economische
delicten). In het rapport wordt gesteld dat de rechter een last onder dwangsom
bij overtreding van een artikel van deze wet moet kunnen opleggen. Verder staat
dat moet worden onderzocht of de
maatregel ook door een andere instantie dan de rechter kan worden opgelegd. De
toenmalige Minister van Justitie heeft dit opgevat in de zin dat een last onder
dwangsom voor gewone delicten in het Wetboek van Strafrecht door een officier
van justitie kan worden opgelegd. Deze conclusie strookt niet met de conclusie
uit het aangehaalde rapport en hier heb ik dan ook kritiek op.

Gegevensheling en het overnemen van gegevens uit een
niet-openbaar werk

Prof. Koops heeft een
zeer interessant artikel over het wetsvoorstel voor het NJB geschreven. Hij
wilt het wetsvoorstel (terecht denk ik) gewoon de ‘Wet computercriminaliteit
III’ noemen. Misschien hernoemt de nieuwe Minister van Veiligheid en Justitie
de wet wel gewoon op die manier voordat het naar de Kamers wordt gestuurd.

In zijn artikel gaat
prof. Koops ook in op de voorgestelde bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht
uit het wetsvoorstel. Hij is van mening dat er veel valt te zeggen voor de
strafbaarstelling van heling en verduistering van gegevens “gezien het grote belang van computergegevens voor de samenleving maar
ook voor de persoonlijke levenssfeer en het gemak waarmee gegevens tegenwoordig
verspreid raken buiten de controle van rechthebbenden. De Wet bescherming
persoonsgegevens kan daar in de praktijk ook niet aan verhelpen, en dan kan een
strafrechtelijk vangnet zinvol zijn.”
(NJB, afl. 38, p. 2465). Koops
suggereert dat een toelichting waarin wordt uitgelegd dat klokkenluiden een
rechtvaardigingsgrond bij verduistering kan zijn, een goed idee is. Ook denkt hij dat de wetgever uitgebreider zou moeten ingaan op welke gedragingen
precies strafwaardig zijn bij het overnemen van niet-openbare gegevens. Ik deel deze mening met hem. 

Heel terecht wordt in het
artikel opgemerkt dat heling van gegevens niet alleen zou moeten gelden voor
gegevens die na hacken of afluisteren zijn verkregen, maar ook na andere
misdrijven, zoals diefstal of afpersing van een laptop; net als bij het normale
artikel over heling het geval is. Tenslotte vind ik de opmerking ook heel
interessant dat er volgens art. 139e Sr ook sprake is van gegevensheling als de
computereigenaar pas achteraf kennis
krijgt van de strafrechtelijke afkomst, waar het bij het normale helingartikel
je alleen heler bent als je op het moment
van verwerving
de onrechtmatige afkomst moest vermoeden. Dit zou wellicht
nog kunnen worden hersteld voordat het wetsvoorstel naar de Kamers wordt
gestuurd.

Online doorzoeking en terughacken?

Opsporing van
cybercriminelen wordt gefrustreerd door het gebruik van technieken die sporen
uitwissen en jurisdictieproblemen. Dat bleek onder andere uit de inventarisatie
van de knelpunten bij wet- en regelgeving bij de bestrijding van cybercrime.
Verder werd uit de inventarisatie duidelijk dat er behoefte is aan de
bevoegdheid van een ‘online doorzoeking’. Een stap verder gaat het
‘terughacken’ als opsporingsbevoegdheid, maar ook aan deze bevoegdheid is behoefte zo blijkt uit dit bericht.
Met deze punten wordt echter niets in het onderhavige conceptwetsvoorstel
gedaan. Dat vind ik onwenselijk en dit benadruk ik ook in mijn eigen artikel.

Het wetsvoorstel kan nog
aangepast worden, voordat het naar de Kamers wordt gestuurd. Gezien de uitspraken van Opstelten
vorige
week
naar aanleiding van de kamervragen van PvdA-Kamerlid Recourt (waarover security.nl berichtte),
lijkt de politieke bereidheid te bestaan om terughacken mogelijk te maken. Nog niet duidelijk is of dat juridisch mogelijk is of op welke manier zo’n bevoegdheid kan worden vormgegeven. Toch zou mij niets verbazen als het wetsvoorstel wordt gewijzigd waarbij ook
dergelijke nieuwe opsporingsbevoegdheden worden meegenomen. De nieuwe Wet
computercriminaliteit is daar natuurlijk een uitgelezen mogelijkheid voor.

Later deze week zal ik
een kort bericht schrijven over de mogelijkheden en moeilijkheden van een online doorzoeking en terughacken. 

Boek over de opsporing en bestrijding van kinderpornografie op internet

Eind oktober is mijn scriptie in boekvorm uitgebracht door
Celsus Juridische Uitgeverij. In mijn boek “Opsporing
en bestrijding van kinderpornografie op internet”
ga ik onder andere in op de technieken die kinderpornografiegebruikers
op internet gebruiken, zoals anonimiseringstechnieken, cryptografie, steganografie, proxyservers en het TOR-netwerk. Daarnaast leg ik uit hoe kinderpornografie
via chatprogramma’s, peer-to-peer netwerken, darknets, nieuwsgroepen en bulletin boards
over het internet wordt verspreid en komen uiteraard juridische onderwerpen
aan bod, zoals de strafbaarstelling van kinderpornografie en de toepassing van
bijzondere opsporingsbevoegdheden op internet. Tenslotte wordt de legitimiteit
van filteren, blokkeren en Notice-and-Take-Down door ISP’s behandeld.

Het boek verschilt inhoudelijk niet van mijn scriptie. Wel zijn de titel en lay-out veranderd en zijn her en der wat (spel)foutjes uitgehaald. Ik pretendeer geen perfecte juridische
analyse van het probleem van kinderpornografie in mijn boek te geven. Dat kan
van een masterstudent ook niet worden verwacht. Wel denk ik dat het boek kan
bijdragen aan de kennis over de hedendaagse problematiek rond kinderpornografie en over de wijze
waarop politie en justitie criminelen via het internet kunnen opsporen.

Het boek is via deze link te bestellen en kost €27,50. Het
ISBN-nummer is 978-90-8863-065-1.

Citeerwijze: J.J. Oerlemans, Opsporing en bestrijding van kinderpornografie op internet, Amersfoort: Celsus Juridische uitgeverij 2010 (Juncto reeks: nr. 59). 

 

 

De Verwijsindex risicojongeren (VIR)

Na een
heerlijke vakantie van 3 weken zal ik verder gaan met bloggen over privacy en
cybercrime. In dit bericht staat een artikel van mij en professor Bruning
centraal over de Verwijsindex risicojongeren. Het artikel is verschenen in
nummer 3 van het tijdschrift Privacy & Informatie.

Het
afgelopen half jaar heb ik mij in mijn werk in de functie van junioronderzoeker
bij de Universiteit Leiden bezig gehouden met de gegevensuitwisseling in de
jeugdzorg en in het bijzonder de privacyaspecten daarvan. Onderdeel van mijn onderzoek
is de Verwijsindex risicojongeren (VIR). Samen met professor Mariëlle Bruning
van de Universiteit Leiden heb ik hier een artikel over geschreven.

De VIR is
een soort ICT-systeem dat al vanaf 2007 in Nederland actief is en brengt
hulpverleners bij elkaar die zich met hetzelfde ‘kind’ (personen tot 23 jaar)
bezighouden. Hulpverleners die zich zorgen maken over de ‘de ontwikkeling van
de jeugdige naar volwassenheid’ kunnen een melding doen aan het systeem. Indien
er van de jeugdige al een keer eerder een melding is gemaakt krijgen de
hulpverleners hierover een bericht en kunnen zij vervolgens met elkaar contact
opnemen. Tijdens (of het liefst daarvoor) het contactmoment moeten de
hulpverleners beslissen welke relevante informatie (gegevens met betrekking tot
een natuurlijk persoon en dus ‘persoonsgegevens’ in de zin van privacywetgeving)
ze met elkaar gaan uitwisselen. Zaken als dat van de peuter Savannah hebben
duidelijk gemaakt dat er in verleden niet altijd effectief werd samengewerkt
door de betrokken hulpverleners. Het idee is dat de verwijsindex een instrument
is die dat soort situaties helpt voorkomen.

De regering
gaat ervan uit dat de meldingsbevoegden voldoende bewust zijn van de relevante
regelgeving en vertrouwt er volledig op dat er binnen de wettelijke kaders
wordt gehandeld. In ons artikel wordt aandacht besteed aan de belangrijkste
(juridische) discussiepunten over de VIR. Door de wetgevers is volgens ons een
te rooskleurig beeld geschetst van de kwaliteit van meldingsbevoegden ten
aanzien van privacyvraagstukken. Het gevaar bestaat dat door te brede meldingscriteria
(zoals benoemd in artikel 2j van de Wet op de Jeugdzorg
en nader toegelicht in de ‘handreiking
meldcriteria’ zoals te raadplegen op meldcriteria.nl) er te gemakkelijk
meldingen worden geplaatst. Zo kunnen jeugdigen die geen hobby’s of interesses
hebben en uit zichzelf geen interactie aangaan met de omgeving  in de verwijsindex opgenomen worden, indien
dat volgens de hulpverlener ‘hun ontwikkeling naar volwassenheid beïnvloed’(zie
‘categorie V’ van de handreiking). De hulpverlener zal overigens de reden van
opname in van het kind in de verwijsindex wel in een dossier moeten
documenteren voor eventuele verantwoording achteraf.

Het is
belangrijk te realiseren dat een melding geen vrijbrief is voor een onbeperkte
gegevensuitwisseling over de betrokkene. Door eventuele onterechte
gegevensuitwisseling tussen hulpverleners kan de privacy van individuen worden
geschaad. Een hoog aantal instanties is bij de VIR betrokken (uit de domeinen
jeugdzorg, (jeugd)gezondheidszorg, politie en justitie, onderwijs en
schuldsanering) en hierdoor kan  de vraag
of gegevens uitgewisseld mogen worden bijzonder complex zijn. NIet zeker is
of professionals voldoende zijn toegerust deze (juridische) vragen zelf te beantwoorden.
En als dat niet het geval is, is er dan voldoende juridische expertise bij de
overheid beschikbaar in de vorm van privacy functionarissen (FG’s) en
instanties als de Helpdesk Privacy om de nodige vragen te beantwoorden?

Dit zijn
allemaal vragen die in het artikel aan bod komen. Als je geïnteresseerd bent
kun je hier het hele artikel lezen.