Normering van digitale opsporingsmethoden

Op 1 maart 2017 is mijn nieuwe boekje ‘Normering van digitale opsporingsmethoden’ uitgebracht. Het boekje is bij de Nederlandse Defensie Academie gedrukt en stel ik hierbij in .pdf beschikbaar.

Mijn doel is om ‘de praktijk’ – dat wil zeggen professionals in de opsporing, advocaten en rechters – meer duidelijkheid te geven over de juridische basis bij de toepassing van digitale opsporingsmethoden. Tijdens mijn onderzoeksperiode voor mijn proefschrift van 2010-2016 heb ik regelmatig gehoord dat er onduidelijkheid bestaat over de vraag welke regels van toepassing zijn. Dat is vanuit rechtsstatelijk oogpunt zeer onwenselijk, want zowel de professionals in de praktijk als de betrokken burgers moeten weten waar ze aan toe zijn om willekeur van overheidsmacht tegen te gaan. Mogelijk bestaande interne richtlijnen binnen de opsporing vormen geen voorzienbaar juridisch kader waar betrokkenen een beroep op kunnen doen.

Met mijn boekje hoop ik dus meer duidelijkheid over de juridische basis van digitale opsporingsmethoden te leveren, maar ook de discussie aan te zwengelen. Het rechtsgebied is namelijk sterk in beweging. Ik verwacht dan ook dat dit werk slechts drie jaar actueel blijft. Dat komt doordat digitale opsporingsmethoden constant evolueren in verband met technologische ontwikkelingen en de onderliggende (cyber)criminaliteit, waar de opsporing op moet inspelen. Daarnaast zal het project ‘Modernisering strafvordering’ in de nabije toekomst aanzienlijke wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering met zich mee brengen. Over de wenselijke juridische basis en waarborgen voor digitale opsporingsmethoden in toekomstige wetgeving moet dus nú worden gediscussieerd.