Aftrap Wet Computercriminaliteit III

Vandaag (2 mei 2013) heeft minister Opstelten het wetsvoorstel Computercriminaliteit III gepubliceerd. In deze blog post wil ik kort mijn eerste observaties bij het conceptwetsvoorstel geven. Daarbij ga ik vooral in op de hackbevoegdheden en behandel kort het voorgestelde NTD-bevel en decryptiebevel.

De toelichting (.pdf) op het voorstel is 87 pagina’s, dus een blog post kan nooit alle belangrijke details eruit halen. In de snelheid zou ik ook best dingen verkeerd geïnterpreteerd of ingeschat kunnen hebben, dus verbeter mij in dat geval a.u.b. of schrijf zelf iets. Ook heb ik de wettelijke bepalingen nog niet in detail geanalyseerd. Dit is dus geen wetenschappelijk artikel dat geschikt is om te citeren. Ik hoop slechts dat ik de inhoud van het voorstel duidelijker kan maken en mensen aan het denken zet over het voorstel.

Overigens vind ik op het eerste gezicht de uitgebreide Memorie van Toelichting goed in elkaar zitten. De toelichting is overzichtelijk en er worden heldere voorbeelden gegeven. Ook zijn de waarborgen bij de bevoegdheden uitgebreid beschreven. Er zitten wel een paar slordigheidsfoutjes in de toelichting (b.v. “Truecript” i.p.v. “Truecrypt” en “hoer” i.p.v. “hoe” ). Het is mij niet duidelijk of het een zogenaamde internetconsultatie betreft, waarbij het een conceptwetsvoorstel betreft die pas later naar de Tweede Kamer wordt verstuurd (dit dacht ik in eerste instantie namelijk wel). Misschien verschijnt het later nog wel op internetconsultatie.nl. Maar goed, met betrekking tot de inhoud:

Noodzaak voor de nieuwe bevoegdheden

Het voorstel zal naar eigen zeggen de opsporingsbevoegdheden in evenwicht brengen met de stand van de technologie. In het conceptswetsvoorstel worden uitgebreid drie ontwikkelingen beschreven die van invloed zijn op de opsporingspraktijk en volgens de regering tot creatie van de nieuwe bevoegdheden nopen. Dit zijn: (1) De versleuteling van elektronische gegevens, (2) het gebruik van draadloze netwerken en (3) het gebruik van Cloudcomputingdiensten (zie p. 8-12).

Het probleem van versleuteling ziet enerzijds op versleuteling van informatie op gegevensdragers zelf met programma’s zoals Truecrypt, waarbij opsporingsinstanties achteraf niet meer de informatie kunnen uitlezen. Anderzijds ziet het op versleuteling van gegevens bij communicatie, waarbij de informatie die over een internettap komt niet meer zichtbaar is. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer standaard versleuteling aanstaat bij elektronische communicatiediensten zoals Twitter en Gmail en wanneer via Skype wordt gecommuniceerd. De normale tapbevoegdheid biedt ook onvoldoende soelaas volgens de toelichting, omdat aanbieders van diensten soms (a) zelf niet in staat zijn te onstleutelen (als voorbeeld wordt Skype gegeven), (b) de aanbieder niet onder de definitie valt, of (c) gevestigd is in het buitenland.  In de toelichting wordt uitvoerig verwezen naar mijn artikel over de ‘mogelijkheden en beperkingen van de internettap’ in Justitiële Verkenningen uit 2012.

Gerelateerd aan de verminderende mogelijkheden om communicatie te onderscheppen is de toename van gebruik van verschillende draadloze netwerken. Een internettap kan namelijk maar op één IP adres worden gezet. Omdat mensen dikwijls gebruik maken van verschillende (mobiele) netwerken wordt in dat geval maar een deel van het netwerkverkeer afgetapt. Daar komt bij dat volgens de Minister over tap veel verkeer voorbijkomt, ook van personen “waarin de politie niet is in geïnteresseerd” . De redenering is ongeveer dat door een computer te hacken en spyware te plaatsen de overheid veel gerichter zou kunnen tappen en de communicatie via die bepaalde computer kunnen onderscheppen. Bovendien zou de spyware kunnen worden gebruikt ter identificatie van de gebruiker(s) van het geautomatiseerde werk. Dat wordt door de opstellers van de toelichting op het wetsvoorstel als een groot voordeel wordt gezien, omdat daarmee gerichter kan worden afgeluisterd. Overigens doet de brief voorkomen dat een internettap helemaal niet zo nuttig meer is, omdat de inhoud van de communicatie vaak niet meer mee komt. Naar mijn mening zijn de verkeersgegevens (waaronder de IP adressen van de computers die worden aangezocht) wel nog steeds erg nuttig zijn in een (digitaal) opsporingsonderzoek.

Over de problematiek van Cloudcomputing bij de opsporing is eerder een uitgebreid rapport (.pdf) van Koops verschenen. Omdat mensen in toenemende mate gegevens niet meer op hun computers, maar op servers van buitenlandse (cloud)dienstaanbieders opslaan, bieden de huidige bevoegdheden voor de vergaring van gegevens van computers op een locatie in Nederland volgens Opstelten onvoldoende mogelijkheden. Daar komt bij de dat de verdachte opmerkt als er een doorzoeking wordt gedaan en het bewijs wordt verzameld en dat kan “strijdig zijn in het belang van het onderzoek”, aldus de Memorie van Toelichting. Een belangrijk punt is dat sommige cloudaanbieders niet op grond van de bestaande bevoegdheden gedwongen kunnen worden een tap ten uitvoer te leggen of mee te werken aan een vorderen van gegevens. Expliciet wordt in de toelihcting het voorbeeld gegeven van “bullet proof hosting providers”  die vaak “anoniem, en vaak in resell constructies, illegale activiteiten ontplooien” en vaak “veelal in een land is gevestigd, waarmee Nederland niet of nauwelijks een rechtshulprelatie mee onderhoudt”. “Afscherming van de gegevens voor politie en justitie vormt een essentieel element van het bedrijfsmodel van deze aanbieders”.  Om die reden heeft de opsporing behoefte aan de mogelijkheid om heimelijk toegang te kunnen verkrijgen tot gegevens die in de cloud zijn opgeslagen, zonder dat de verdachte of de aanbieder daarbij is betrokken. Omdat van diensten uit het buitenland gebruik wordt gemaakt is het volgens de toelichting (grof gezegd) in veel gevallen een te grote belemmering om fysiek toegang te krijgen tot de plaats van waar de gegevens zich bevinden, terwijl dit technische wel goed mogelijk zou zijn. Bovendien zou het onder omstandigheden wenselijk zijn om – zelfs als de locatie wél duidelijk is – een technisch hulpmiddel (voor interceptie van netwerkverkeer of een doorzoeking van de gegevens) heimelijk te plaatsen.

Meer concreet worden de volgende hackbevoegdheden voorgesteld. Steeds wordt eerst verondersteld dat een computer wordt gehackt alvorens de andere methoden worden vastgesteld. De toelichting zegt dan ook: “de essentie van de voorgestelde bevoegdheid van onderzoek in een geautomatiseerd is dat op afstand heimelijk een geautomatiseerde werk wordt onderzocht, zonder dat de verdachte daar kennis van krijgt” (p. 14). Zie ook mijn analyse  van hacken als opsporingsbevoegdheid uit 2011.

De variaties op hacken als opsporingsmethode:

1.             Hacken teneinde de identiteit of locatie van de dader vast te stellen

Opstelten wil een opsporingsmethode voorstellen waarbij “als het ware sprake is van een virtuele plaatsopneming of inkijkoperatie, waarbij de aanwezigheid van gegevensbestanden of van gegevens in het geautomatiseerde werk of de gegevensdrager wordt vastgesteld”. Concreet kan daarbij gedacht worden aan:

–  het binnendringen van een router zodat kan worden achterhaald wat het identificerende kenmerk van de laptop van de verachte is zodat de toepassing van onderzoekshandelingen of de inzet van opsporingsbevoegdheden selectiever kan plaatsvinden.

– het binnendringen van een computer, waarvan alleen het Tor-adres bekend is, om het IP-adres vast te stellen teineinde een bevel tot het aftappen en opnemen van communiatie aan de aanbieder te kunnen afgeven.

– het binnendringen van een smartphone van een persoon, die crimineel contacten onderhoudt met een verdachte, om zijn identiteit vast te stellen.

– het in kaart brengen van de software die in het geautomatiseerde werk aanwezig is.

In het voorstel wordt aangegeven dat het ook kan gaan om het “vaststellen van e-mail berichten of e-mail berichten die inzage geven in de communicatie met andere personen over het beramen of plegen van ernstige strafbare feiten”. Tegelijkertijd wordt ook eerder aangegeven dat het vorderen van gegevens eerder moet worden overwogen bij aanbieders waarbij dat wel mogelijk is. De hackbevoegdheden vormen een ‘aanvulling’ op de bestaande bevoegdheden om bewijs bij webmail te vergaren door te tappen of gegevens te vorderen (p. 14). Het is mij onduidelijk gebleven of het ‘inkijken in webmail accounts’ of andere ‘online accounts’ (bijvoorbeeld van een forum of sociale netwerkdiensten zoals Facebook en Twitter) expliciet tot de mogelijkheden behoort. En als dat mogelijk is, onder welke omstandigheden.

Ook is het opvallend dat in het wetsvoorstel als voorbeelden van geautomatiseerde werken (computers) die gehackt kunnen worden slechts privécomputers, smartphones, een router (één keer genoemd) en servers (waarop bijvoorbeeld de infrastructuur ten behoeve van botnets draait) worden genoemd, terwijl de categorie “geautomatiseerd werk” in theorie veel groter is. Bits of Freedom riep al andere tweeps op om voorbeelden te geven van geautomatiseerde werken die eventueel gehackt voor bewijsdoeleinden konden worden en kwam zodoende al met autonavigatie, auto’s zelf en de slimme energiemeter. De tekst van de artikelen zelf sluit hacks van deze apparaten niet uit.

2.             Overnemen van gegevens

Met deze opsporingsmethode wordt bijvoorbeeld gedoeld op het vastleggen van afbeeldingen van kinderpornografie op een computer of van het verzamelen van informatie van “besloten communities”, “als de aanbieder niet kan worden vastgesteld of bereikt”.

Als voorbeeld wordt in de toelichting genoemd dat gegevens overgenomen kunnen worden uit een versleutelde harde schijf door middel van een ‘keylogger’, die de toetsaanslagen op een toetsenbord vastlegt. Ook kunnen gegevens worden overgenomen als die elders in de cloud liggen als de cloudaanbieder niet kan worden vastgesteld of onbereikbaar is. Dit laatste roept mij de vraag op of bij Amerikaanse cloudaanbieders die in de regel wel mogelijkheden bieden om bij hen gegevens te vorderen toepassing van de hackbevoegdheid en het overnemen van gegevens in dat geval wel of niet mogelijk is. De tekst van de toelichting suggereert later dat het wellicht mogelijk is te hacken (en gegevens over te nemen) als de heimelijke methode de voorkeur heeft.

3.             Ontoegankelijk maken van gegevens

Hierbij wordt zeer nadrukkelijk het voorbeeld van het onklaar maken van botnets genoemd (p. 17 van het voorstel). Het zou dan dienen als “voorlopige maatregel”. Maar goed, als het niet tot een rechtszaak in Nederland komt of hier bij een rechtbank over de maatregel wordt geklaagd is het meer een permanente maatregel lijkt mij. Ik denk dat ook gedacht kan worden aan het ontoegankelijk maken van kinderporno, zoals destijds in de Tor operatie is gebeurd. Het is de vraag of het straks ook voor andere misdrijven op Tor mogelijk zou zijn en of dat wenselijk is.

4.             Heimelijk aftappen en opnemen van communicatie

In het voorstel wordt uitgelegd dat het heimelijk aftappen ook ziet op het aftappen van communicatie bij aanbieders waarbij de aanbieder soms móét meewerken (de taplast). Op p. 19 wordt de situatie beschreven waarbij de opsporingsautoriteiten dat heimelijk willen doen, maar ik begrijp niet wat hier precies mee wordt bedoeld. Wellicht kan iemand anders dat uitleggen?

De tweede situatie ziet op het plaatsen van spyware (ook wel “policeware” genoemd) om op die manier communicatie heimelijk af te tappen. Daarbij gaat het volgens de toelichting vooral op het plaatsen van keyloggers om toetsaanslagen af te vangen en het aanzetten van een microfoon om een gesprek heimelijk af te luisteren. Maar let op: later worden ook andere functionaliteiten van de spyware toegelicht, “waarbij gedacht kan worden aan functionaliteiten als het opnemen van geluid, het maken van screenshots, het vastleggen van toetsaanslagen of het doorzoeken van bepaalde bestandmappen.” Afhankelijk van het bereiken doel zou in het bevel moeten worden vastgelegd welke functionaliteiten worden ingeschakeld (p. 28). Interessant is dat ook dat nadrukkelijk wordt genoemd dat het ook de mogelijkheid biedt “om communicatie op te nemen op een locatie die voor de opsporing niet goed bereikbaar is. (..) Dit kan eveneens een uitkomst bieden in de gevalleen waarin de locatie van de communicatie niet bekend is” (cursief toegevoegd). Ziet dat vooral op het aftappen van gegevens op computers in het buitenland?

Zie ook mijn blogbericht dat vanochtend is gepubliceerd op de LeidenLawBlog over het gebruik van spyware in de VS. In de Amerikaanse machtiging werd overigens door de FBI gewoonweg alle mogelijke functionaliteiten van de spyware noodzakelijk geacht..

5.             Stelselmatig observeren

Deze bevoegdheid was voor mij een verassing in het wetsvoorstel, omdat ik het nog niet eerder in Kamerstukken ben tegengekomen. De redenering is dat als de GPS van bijvoorbeeld een smartphone wordt aangezet de gedragingen en bewegingen zodanig in de gaten worden gehouden dat dit hetzelfde is als het stelselmatig observeren van een individu, waarvoor een bijzondere opsporingsbevoegdheid voor is vereist. Die redenering lijkt mij juist.

Volgens de toelichting zou deze optie een uitkomst bieden in de gevallen waarin de observatie met behulp van een observatieteam niet tot resultaat leidt of het van belang is dat de verdachte wordt aangehouden, maar zijn verblijfplaats niet bekend is.

Waarborgen voor hacken als opsporingsmethode

De toelichting op de waarborgen bij toepassing van de opsporingsmethoden is uitvoerig en daar ben ik blij mee. Terecht wordt erkend dat de methoden stuk voor stuk een ernstige inbreuk op (onder andere) het recht op privacy vormen en daar een gedetailleerde regeling voor noodzakelijk is. Een hackbevel zou voor maximale duur van 4 weken kunnen worden ingezet met telkens de mogelijkheid om het om de 4 weken te verlengen.

Opvallend vond ik ook de voorwaarde dat alvorens de opsporingsmethoden mogen worden toegepast, het door de Centrale Toetsings Commissie moet worden goedgekeurd (p. 29). Dat is nu bijvoorbeeld ook het geval bij toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheid van infiltratie. Ik denk dat dit een sterke rem op het aantal keer dat het wordt toegepast zal trekken. Ook gezien het feit dat (volgens mij) infiltratietrajecten in de regel slechts een handjevol keren per jaar worden goedgekeurd.

Het gebruik van de hacksoftware moet voldoen aan de normen van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering, dat in verband met de voorstelde bevoegdheden moet worden aangepast (p. 28). Het technische hulpmiddel zou dan worden geprepareerd voor de inzet in het contret geval en onder meer de functie bevatten waarbij het functioneren van het hulpmiddel wordt vastgelegd, dat in de toelichting op het voorstel “logging” wordt genoemd. Ook moet het hulpmiddel “een zekere mate van voorspelbaarheid vertonen en moeten de authenticiteit en integriteit van de gegevens die door middel van het technische hulpmiddel worden vergaard, zijn gewaarborgd”.

Ook moet er een proces-verbaal, zoals verplicht is gesteld in art. 152 van het Wetboek van Strafvordering, worden opgemaakt.

Rechtsmacht

Een controversieel onderdeel van het wetsvoorstel is de toelichting op de extraterritoriale toepassing van de hackbevoegdheden (p. 34-37). Ik vind het wel veel beter toegelicht dan in de brief over de hackbevoegdheden aan het eind van vorig jaar, maar blijf het wel een complex verhaal vinden.

De redenering in de toelichting komt er volgens mij op neer dat indien Nederland de bevoegdheid heeft om rechtsmacht aan te nemen (bijvoorbeeld omdat een misdrijf vanuit het buitenland op ons territorium wordt gepleegd) er dan de bevoegdheid bestaat om opsporingshandelingen te verrichten (op grond van artikel 359a Sv). Zie: “Op grond van dit artikel kan worden opgetreden buiten het rechtsgebied van een rechtbank, binnen de grenzen van het volkenrecht en het internationale recht”, volgens de toelichting. Eerder heb ik samen met Conings in een artikel betoogd dat hier het probleem ligt, omdat er een algemeen verbod geldt om opsporingshandelingen zonder toestemming op het territorium van een andere staat uit te voeren. Bovendien viel volgens ons uit literatuur af te leiden dat een doorzoeking via internet op een geautomatiseerde werk internationaal rechtelijk gezien niet door de beugel kon, maar in de praktijk het wel voorkomt en een zekere acceptatie van staten hierbij viel te bespeuren.

In de Memorie van Toelichting wordt deze rechtspraktijk bevestigd. Door een werkgroep van de Raad van Europa van het Cybercrimeverdrag wordt bevestigd dat er “vanwege de technologische ontwikkelingen, de toenemende complexiteit en het internationale karakter van computercriminaliteit een toenemende behoefte is aan verstrekking van de bevoegdheden” ( aldus p. 36 van de Memorie van Toelichting). “Geconstateerd wordt dat opsporingsdiensten van veel staten zich in de praktijk toegang verschaffen tot gegevens die zijn opgeslagen in geautomatiseerde werken die zich op het grondgebied van andere staten bevinden, ten behoeve van het veiligstellen van elektronisch bewijs. Dit vloeit meestal voort uit het feit dat de opsporende staat niet zeker weet op welk grondgebied de gegevens zich bevinden.” Belangrijk is dat ook wordt opgemerkt dat ‘de praktijk volgens de Transborder Group geen grondslag vindt in (artikel 32 sub b van) het Cybercrimeverdrag’.

Toch wordt in de Memorie van Toelichting volgehouden dat de voorstellen volledig in lijn zijn met “het volkenrecht en internationaal recht”. Daar heb ik wel moeite mee. De motivatie is eigenlijk: ‘het is noodzakelijk, want het kan niet anders’ (“De noodzaak tot onverwijld optreden maakt dit onvermijdelijk en ook volkenrechtelijk goed verdedigbaar” (p. 37)). En tja, misschien is dat ook wel goed te verdedigen en voldoende motivatie. Als voorbeeld van een situatie waarbij dit goed te verdedigen zou zijn is volgens de toelichting wanneer van Tor gebruik wordt gemaakt en er sprake is van cloud computing. Naar mijn mening is het echter bij populaire cloud diensten prima duidelijk waar de gegevens achterhaalt (gevorderd) kunnen worden, namelijk de veelal Amerikaanse aanbieders zelf, eventueel onder de regels van de Verenigde Staten. Wel is het mijns inziens voorstelbaar dat de locatie van een botnetinfrastructuur achter allerlei lagen van anonismering (door middel van proxies en VPN verbindingen) ligt en daardoor ‘redelijkerwijs niet is te achterhalen’. Dit nog afgezien van het feit dat zelfs als die locatie wel bekend is de hostingprovider wellicht simpelweg niet meewerkt met de opsporingsdienst en de route van rechtshulpverzoeken geen zin heeft.

Ten tweede wordt geschreven dat: “Ook in het geval er bij de politie wel wetenschap bestaat van de feitelijke locatie van de gegevens kan – binnen de grenzen van artikel 539a Sv en onder de voorwaarden van (extra) territoriale rechtsmacht – zelfstandig worden opgetreden” (zie p. 35 van de toelichting). Die redenering en de noodzaak begrijp ik wat minder, behalve dat opsporingsautoriteiten de angst hebben dat als het niet heimelijk wordt vergaard er niet effectief bewijs kan worden verzameld binnen een opsporingsonderzoek. Toch zou het op dit punt wat mij betreft wel wat explicieter mogen worden gemaakt wanneer daarvan sprake is. Nu blijft Opstelten nog heel vaag en wordt opgemerkt (en als argument gebruikt?) dat het “sterk zal afhangen van de aard van de feitelijke handeling onder welke omstandigheden het volkenrecht zich verzet tegen zelfstandig optreden van de handhavende staat” en “ook andere staten meer ruimte zien voor zelfstandig optreden als het gaat om opsporingshandelingen met betrekking tot gegevens”. Misschien wordt in deze situatie gedacht aan bijvoorbeeld Gmail gegevens (zie ook deze blog daarover) van Nederlandse ingezetenen, maar dat is slechts speculatie.

Afgesloten wordt met de mededeling dat een Aanvullend Protocol op het Cybercrime Verdrag kan worden voorzien in aanvullende regelgeving voor situaties waarin gegevens in verschillende jurisdicties zijn opgeslagen of waarin de fysieke locatie van de gegevens niet bekend is (cursief toegevoegd). Blijkbaar wil de Nederlandse regering dat niet afwachten (wat ik enigszins begrijpelijk vindt, omdat het maar de vraag is of deze harmonisatie gaat lukken en er urgentie is om toch grensoverschrijdend bewijsmateriaal uit computers te kunnen vergaren), maar het is wel een beetje een loze overweging op deze manier.

Overigens neemt bovenstaande analyse bepaalde zorgen niet weg. Want hoe kunnen burgers er nu op vertrouwen, dat overheden alleen onder de voorwaarden zoals in hun eigen wetgeving is bepaald in hun computers kan worden ingebroken voor het vergaren van bewijs? Dat kunnen ze niet lijkt mij, omdat staten het blijkbaar mogelijk achten onder hun eigen straf-processuele regels grensoverschrijdend toegang kunnen verschaffen tot computers en verdere opsporingshandelingen te kunnen plegen. Ik vermoed dat op grond van het reciprociteitsprincipe, andere staten ook onder omstandigheden zouden kunnen inbreken op computersystemen in Nederland. Ook een belangrijke vraag vind ik hoe bedrijven nu met deze interpretatie en eventuele nieuwe bevoegdheden moeten omgaan. Moeten ze een eventuele hack door buitenlandse opsporingsdiensten behandelen als een beveiligingsincident? En heeft het voor hen zin om eventueel aangifte van hacking te doen? Ik ben dus benieuwd of bedrijven (denk aan Microsoft, Google, Facebook, Twitter en Linkedin, ISPs en hosting bedrijven (ook i.v.m. het NTD-bevel zie hieronder)) zich nog laten horen over dit voorstel.

Decryptiebevel

Over het voorstel voor een decryptiebevel heb ik eerder een korte blog geschreven en heeft Koops een uitgebreid onderzoek (.pdf) naar gedaan. Een belangrijke vraag van het decryptiebevel is wat mij betreft welke systemen precies ontsleuteld zouden moeten worden. Gaat het daarbij om het afgeven van wachtwoorden van bijvoorbeeld ook smartphones en online accounts? Het decryptiebevel wordt in het voorstel alleen mogelijk gemaakt bij bij kinderporno en terrorisme. Gaat dit bevel nu ook langs de Centrale Toetsings Commissie? Ik vond het in ieder geval goed dat in de toelichting wordt aangegeven dat een decryptiebevel aan de verdachte achteraf “doorgaans niet wenselijk is” en het “in zijn algemeenheid de voorkeur verdient om te kiezen voor een onderzoek in een geautomatiseerd werk om de gegevens vast te leggen waarmee de versleuteling ongedaan gemaakt kan worden” (p. 53). Anderen vinden wellicht een decryptiebevel minder vergaand. In ieder had Koops zijn voorkeur in het rapport (voorzichtig) uitgesproken voor een decryptiebevel boven het plaatsen van spyware.

Hoewel het voorstel uitvoerig wordt toegelicht (p. 49-68) mis ik toch een belangrijk element dat in het onderzoek van Koops naar voren kwam. Volgens mij concludeerde hij dat het decryptiebevel met een straf van ten hoogste 3 jaar, slechts mogelijk is in gevallen waarbij het Openbaar Ministerie kan bewijzen dat er strafbaar materiaal (kinderporno of bewijs van een terroristisch misdrijf) op de gegevensdragers wordt aangetroffen. Dat kan volgens hem bijvoorbeeld soms worden bewezen met behulp van een internettap. Ik concludeerde daaruit dat slechts in een heel beperkt aantal gevallen mogelijk is. Maar in de toelichting lijkt aan die voorwaarde te worden voorbij gegaan. Het is daarom des te meer de vraag of de voorgestelde regeling niet een ontoelaatbare inbreuk maakt op het recht om niet mee te werken aan je eigen veroordeling (afgeleid uit artikel 6 EVRM). Het zou ook kunnen dat het daar niet mee in strijd is; het is simpelweg onduidelijk, omdat er geen jurisprudentie op dit precieze onderwerp voorhanden is.

NTD-bevel

Het Notice and Take Down bevel uit het conceptwetsvoorstel versterking computercriminaliteit uit 2010 doet weer zijn intreden! Destijds had ik daar dit artikel en deze blog over geschreven. De belangrijkste conclusies daaruit waren dat een machtiging van een rechter-commissaris bij een NTD-bevel op zijn plaats zou zijn en de bestuurlijke boete op niet-nakoming van het bevel uiterst merkwaardig was. Gelukkig is nu wel een machtiging van een R-C vereist en is de bestuurlijke boete komen te vervallen.

Het is de bedoeling dat een dergelijk bevel alleen wordt afgegeven als er geen succesvol beroep kan worden gedaan op de Notice and Take Down gedragscode. Daarnaast wordt benadrukt dat het bevel ook kan worden afgegeven aan beheerders van een website en hostingproviders die eventueel de gedragscode niet hebben ondertekend (zie p. 45).

Wat voor mij onduidelijk blijft is hoe de ontoegankelijkheidsmaking van een website moet worden uitgevoerd. In 2010 werd in de toelichting nog duidelijk de mogelijkheid open gelaten dat websites, “zoals de Pirate Bay”, verplicht eruit gefilterd zouden moeten worden. Valt onder de ontoegankelijkheidsmakting nu ook een filterverplichting (door de blokkade van de IP-adressen wellicht)?

Conclusie

Tot slot wil ik nog één ding extra benadrukken: de bevoegdheden om botnets of aanvallen op vitale infrastructuur te bestrijden is maar een klein onderdeel van het voorstel, let ook op de andere ‘details’ van het voorstel.

Vanochtend werd nog eens door Ronald Prins van Fox-IT benadrukt dat hij de bevoegdheden vooral wenselijk acht voor de bestrijding van botnets, maar liever niet gebruikt ziet worden bij opsporing van de meer traditionele delicten. Hoogleraar Bart Jacobs had eerder in het NJB ook betoogd dat de bevoegdheden wellicht wenselijk is voor de bestrijding van botnets en tegen aanvallen op vitale ICT infrastructuur, maar niet voor ‘normale opsporing’. Tenslotte verscheen een week geleden ook een PhD met de boodschap dat het hacken van botnets wellicht de enige effectieve manier is om botnets effectief te bestrijden.

De eensgezindheid van deze security guru’s vind ik opvallend en vormen naar mijn mening een heel belangrijk signaal. Wel vraag ik mij af of het mogelijk maken van deze maatregelen het meest passen binnen het Wetboek van Strafvordering en BOB-bevoegdheden die toch vooral zien op de bewijsvergaring in strafzaken, waarna een persoon eventueel door een Nederlandse zittingsrechter wordt veroordeeld. Het lijkt hier meer te gaan om ‘handhaving van de rechtsorde’ of zelfs inlichtingendienstenwerk (zie ook p. 44: “het enkele verstoren van het kennisnemen van gegevens behoort tot de mogelijkheden. Dit is van belang bij de bestrijding van botnets”). Tegelijkertijd heb ik hier te weinig verstand van zaken van om in te schatten waar en hoe slechts die maatregelen beter geregeld zouden moeten worden.

De oproep de bevoegdheden alleen mogelijk te maken voor de bestrijding van botnets en aanvallen op vitale infrastructuur staat in contrast met het voorstel. De hackbevoegdheden zouden namelijk moeten gelden voor de misdrijven genoemd in art. 67 van het Wetboek van Strafvordering die een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormen. Daarbij kan óók gedacht worden van misdrijven zoals moord, drugshandel, mensenhandel, omvangrijke milieudelicten, wapenhandel en ernstige financiële misdrijven, zoals ernstige fraude, aldus de toelichting (p. 13).

Als het wetsvoorstel uiteindelijk wordt aangenomen wordt een arsenaal aan nieuwe (digitale) opsporingsbevoegdheden mogelijk gemaakt. Voor de alledaagse opsporingspraktijk is het misschien nog wel relevanter dat onder omstandigheden in online accounts kunnen worden ‘ingekeken’, gegevens na een hack via internet kunnen worden gekopieerd en in de toekomst de smartphone wellicht een sleutelrol krijgt in opsporingsonderzoeken omdat het een soort wandelend spionagekastje voor de opsporingsinstanties kan vormen. Ik ben wel blij dat in ieder geval bijzondere zware voorwaarden voorgesteld voor de voorgestelde nieuwe opsporingsmogelijkheden voor politie en justitie.

Ik kijk uit naar reacties op het conceptwetvoorstel en houd de ontwikkelen verder nauwlettend in de gaten!

Extraterritorial use of policeware in the United States?

Last week, the story broke that a judge from Texas (United States) had published a decision  (.pdf) denying a warrant for the placement of “policeware” on a computer of an unknown suspect at an unknown location. Policeware is special surveillance software, also called “spyware”, utilized to secretly monitor all kinds of internet activities of a computer user. The decision is interesting because it sheds light on the use of policeware in the United States.

Capabilities of the software

Judge Smith explains that the FBI requested to install “data extraction software” on the “Target Computer” (presumably the computer of a suspect). This software has the capability to search the computer’s hard drive, random access memory, and other storage media (thus perform a “remote search”). Additionally, the software can “activate the computer’s built-in camera, generate latitude and longitude coordinates for the computer’s location and transmit the extracted data to FBI agents in the district”. By installing the software, the FBI wishes to obtain information such as web browsing history, e-mail contents, e-mail contacts, chat logs, photographs and correspondence. The law enforcement agency also wishes to use the built-in camera to make photographs to identify the person using the target computer.

Extraterritorial application of a warrant to install policeware

The Texan judge then ascertains whether the request complies with the warrant requirements as described in Rule 41 of the U.S. Federal Rules of Criminal procedure. This blog post does not allow to me elaborate on the judge’s decision and the requirements of a “Rule 41 warrant”, but I do want to point out that the judge establishes that Rule 41 only allows for searches “in the district of the judge”. In this case the territoriality requirement is not met, because the search does not take place within the district, “so far as the Government’s application shows”, according to the judge. Note the judge’s witty remark that the search takes place: “not in the airy nothing of cyberspace, but in the physical space with a local habitation and a name”.

U.S. digital surveillance expert Orin Kerr analyzed the court decision of judge Smith on the popular legal blog “The Volokh Conspiracy”. I found his considerations about the applicability of the warrant requirement on a potentially foreign suspect particularly fascinating. It is standing case law (under United States v. Verdugo-Urquidez, 494 U.S. 259 (1990) that the warrant requirement of the Fourth Amendment of the U.S. Constitution does not apply outside the United States. Since it is likely the physical computer will be searched overseas (because the last known IP address is traced back somewhere in Southeast Asia), the government does not need a warrant to search the physical computer. However, Kerr believes the search also takes place in the United States when the information is analyzed by U.S. law enforcement officials and therefore a warrant is required “for that part of the search that takes place in judge Smith’s home district”.  Kerr ultimately finds the arguments presented by judge Smith to deny the warrant unconvincing.

Conclusion

Kerr’s analysis of the case begs the question: is it desirable that the United States could potentially perform searches of computers and install policeware on computers in foreign territory by unilaterally applying their criminal procedural rules to foreigners? If the answer is no, keep in mind that the Dutch government suggested more or less the same thing on p. 34-35 in their announcement today (in Dutch) to amend the Dutch Code of Criminal Procedure to make hacking and the placement of spyware possible on computers “if their location is unknown” (see also this blog post).

I’m curious to hear from international criminal law legal experts and others as to what they think of this.

This is a cross post from LeidenLawBlog.nl.