Surveilleren en opsporen op internet

Mag de politie in het kader van toezicht stelselmatig gegevens vergaren uit open bronnen van internet? In hoeverre mogen politie en justitie gegevens van internet verzamelen over (groepen) mensen in het kader van opsporing? In het tijdschrift Justitiële Verkenningen (nr. 5, 2012, p. 35-49) gaan Bert-Jaap Koops en ik op deze vragen in. In dit blogbericht wil ik kort de belangrijkste punten uit het artikel behandelen. Het gehele artikel is hier te
downloaden (.pdf).

‘De politie mag onbeperkt gegevens van internet vergaren’

In de praktijk lijken sommige politieambtenaren de indruk te hebben dat alles wat op internet in open bronnen is te vinden gebruikt mag worden voor toezicht- en opsporingsdoeleinden. In het artikel trachten wij duidelijk te maken dat dit niet het geval is, omdat het handelen van de politie specifiek geregeld is in wet- en regelgeving. De hoofdregel daarbij is dat daar waar een meer dan geringe inbreuk in de persoonlijke levenssfeer van mensen wordt gemaakt, een specifieke wettelijke regeling voorhanden moet zijn. Koops en ik hebben de indruk dat bij het monitoren van gegevens van mensen op internet voor toezichtdoeleinden al snel een meer dan geringe privacyinbreuk wordt gemaakt en daar op dit moment geen afdoende wettelijke regeling voor is.

Bij surveilleren en opsporen op internet gaat het allang niet meer om een ‘Googelende opsporingsambtenaar’, maar om politiesystemen waarmee snel en efficiënt gegevens op internet kunnen worden afgestruind op zoek naar de relevante informatie. Het is niet helemaal duidelijk wat de politiesystemen precies kunnen en wat met een ‘near real time
Internet monitoring service’ wordt bedoelt, maar documenten die zijn vrijgekomen na een Wob-verzoek op de website van het NCTB lichten een tipje van de sluier op.

Wij zijn met betrekking tot het vergaren van gegevens op internet met geautomatiseerde ICT-toepassingen van mening dat het gebruik van deze systemen op basis van art. 2 Politiewet 1993 onvoldoende voorzienbaar is voor burgers en de wetgever zich moet uitspreken over deze gegevensverwerkingen. Als zij vinden dat het gebruik van deze systemen noodzakelijk is voor een effectief politieoptreden zou zij daarvoor (naar onze
mening) een nieuwe wettelijke grondslag met waarborgen voor het gebruik daarvan
moeten creëren.

Opsporen op internet

Het vergaren van gegevens op internet voor toezichtsdoeleinden moet in theorie gescheiden worden van het vergaren van gegevens voor opsporingsdoeleinden. Soms lopen de twee in elkaar over, maar op dit moment is het zo dat in kader van opsporing de politie (meestal in opdracht van een officier van justitie) meer ernstige privacyinbreuken mogen worden gemaakt door middel van toepassing van  bijzondere  0psporingsbevoegdheden. Al eind jaren ‘90 heeft de wetgever met de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden ( Wet BOB ) te kennen gegeven dat opsporingsbevoegden ook op internet mogen worden toegepast. Het is echter niet helemaal duidelijk wat de reikwijdte van deze bevoegdheden in een internetomgeving precies is.

Op dit moment lijkt het afhankelijk van de interpretatie van opsporingsambtenaren (en soms een officier van justitie als die erbij betrokken wordt) hoe ver ze kunnen gaan bij het vergaren van informatie op internet. Er is ook opvallend weinig jurisprudentie over voorhanden, behalve één gepubliceerde zaak waarbij de rechter te kennen gaf dat een
opsporingsambtenaar van Google Earth in zijn onderzoek gebruik mag maken. Tegelijkertijd gaf de rechter aan dat ‘de bevoegdheid om rond te kijken in een openbaar netwerk niet de bevoegdheid impliceert om stelselmatig voor de uitoefening van de politietaak gegevens van internet te downloaden en in een politieregister op te slaan’.

Koops en ik zijn het zelf ook niet helemaal over eens op welk moment nu precies bij het vergaren van gegevens uit open bronnen op internet een meer dan geringe inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Dit leggen we in het artikel ook uit. Wel zijn wij het er over eens dat het criterium van een ‘meer dan geringe privacyinbreuk’ leidend is en dat wanneer daarvan sprake is het vergaren van gegevens door de politie zou kunnen worden ondergebracht onder de bijzondere opsporingsbevoegdheid van stelselmatige observatie (art. 126g Sv). Maar zelfs die bijzondere opsporingsbevoegdheid slaat niet naadloos aan bij de opsporingshandeling van politie en justitie op internet. Dit zetten we in het artikel verder uiteen.

Daarom concluderen we dat: ‘de wetgever deze problematiek bewust moet analyseren en zich daarbij moeten baseren op de huidige internetomgeving, die veel verder is ontwikkeld en er anders uitziet dan in 2000 het geval was’ (p. 47). Eventueel zou voor opsporen op internet het criterium ‘stelselmatigheid’, waarbij een ‘min of meer volledig beeld van een bepaald aspect van het leven van een persoon wordt verkregen’ leidend kunnen blijven. Daarbij zou de bijzondere opsporingsbevoegdheid van stelselmatige observatie toegepast kunnen blijven worden, maar het is wenselijk als de wetgever dit
expliciet maakt (om ongewenste interpretaties van de wet te voorkomen) of een andere wettelijke grondslag voor de opsporingshandeling creëert. In de tussentijd kunnen advocaten met een actieve proceshouding de opsporingspraktijk aan de kaak stellen. Rechters zullen zich daar vervolgens moeten over uitspreken, waardoor het wet- en regelgevingskader voor surveilleren en opsporen op internet meer helder wordt.