Debat over aftappen

Twee weken geleden (23 mei 2012) heb ik een seminar bijgewoond over aftappen naar
aanleiding van het WODC-onderzoek ‘het gebruik van de telefoon- en internettap in de opsporing‘. De media schreef over het rapport met name dat ‘Nederland koploper in aftappen is’ (zie bijvoorbeeld nu.nl).

Kamerleden duikelden vervolgens over elkaar heen om in de media te herhalen dat
het een schande is dat Nederlands koploper is en de notificatieplicht moet worden nagekomen. Andere onderzoeksresultaten uit het rapport zijn verder nauwelijks ter sprake gekomen. In dit bericht wil ik daar enkele opmerkingen over maken.

Telefoontap minder effectief?

Al voor het seminar begon en het rapport officieel aan het publiek beschikbaar werd
gesteld kwam de Volkskrant al met het berichtdat de ‘telefoontap steeds minder effectief
wordt
’. Dat was misschien niet zo netjes van de Volkskrant, maar het haalde wel een
belangrijke boodschap uit het rapport. Namelijk dat steeds meer mensen van andere communicatiemiddelen dan de telefoon gebruik maken en daardoor niet alle communicatie meer over de reguliere tap komt. Het is daarom niet verbazend dat
opsporingsdiensten meer van de internettap gebruik zijn gaan maken en het aantal ingezette internettaps is verdubbeld van 1704 taps in 2010 naar 3331 taps in 2011. Volgens de demissionaire regering (brief van 25 mei 2012, Kamerstukken II 2011/12, 30 517, nr. 25)is dat te verklaren door de toename van het gebruik van internettoepassingen op smartphones. De WODC-onderzoekers geven aan dat door gebrek aan capaciteit en kennis bij de politie het aantal ingezette internettaps nog relatief laag is gebleven.

De vermeende ineffectiviteit heeft niet geleid tot een daling van het aantal taps.
De traditionele telefoontap is zelfs meer ingezet dan ooit (van 22006 in 2010 naar 24718 in 2011). De telefoontap blijkt nog steeds een effectieve opsporingsmethode te zijn. In de brief van de regering wordt bevestigd dat de telefoontap vooral nuttig indirect bewijsmateriaal oplevert. Soms geeft het ook aanleiding tot een effectieve en efficiënte inzet van andere opsporingsbevoegdheden. Tijdens het seminar werd ook door een officier van justitie toegelicht dat een verdachte soms wel van 8 prepaid telefoons gebruik maakt en dat kan ook (deels) een verklaring leveren voor het hoge aantal ingezette taps. Persoonlijk kreeg ik bij het seminar de indruk (door het gebrek aan debat daarover) dat de internettap nog niet zo’n grote rol speelt in opsporingsonderzoeken. Deze opsporingsbevoegdheid is volgens mij vooral relevant in de meer high tech opsporingsonderzoeken waarbij verdachten voornamelijk via internet communiceren. Afgevraagd kan worden of dit in de toekomst gaat veranderen als steeds meer mensen voor hun communicatie vooral van internet gebruik maken. Ik denk dat het belangrijk is
daar nu al over na te denken en debat te voeren.

De overwegingen in de brief van de regering over de internettap vond ik zelf wel interessant en die wil ik hier nog kort uitlichtten. Over de internettap werd gezegd dat
inmiddels ‘geselecteerde internettoepassingen’ kunnen worden afgetapt, waardoor
niet het gehele netwerkverkeer hoeft te worden geanalyseerd. Naast dat dit efficiënter is, komt dat natuurlijk ook de privacy van de betrokkene ten goede.
Opstelten geeft nogmaals aan ‘zowel nationaal als internationaal wordt onderzocht of er aanpassing van wet- en regelgeving nodig is om ook op internet de juiste mogelijkheden te hebben voor de opsporing’. Voor het zomerreces moet de Kamer daarover worden geïnformeerd.

In mijn eigen artikel over de internettap geef ik aan dat door versleuteling het in toenemende mate lastig wordt de inhoud van communicatie via internet af te tappen. Tegelijkertijd kan met de inzet van alternatieve opsporingsmethoden veel worden bereikt. De bijzondere opsporingsbevoegdheid van direct afluisteren (artikel 126l Sv), inclusief de mogelijkheid tot het plaatsen van een keylogger, biedt mogelijk een interessant alternatief om het probleem van versleuteling te omzeilen. De opsporingsbevoegdheid mag in een woning echter slechts worden toegepast bij misdrijven waar een gevangenisstraf van 8 jaar of meer op staat. De praktische toepassing van deze opsporingsmethode is daardoor beperkt. In de Verenigde Staten wordt wellicht vaker van deze opsporingsmethode gebruik gemaakt om het probleem van versleuteling te omzeilen. Zie bijvoorbeeld ook deze analyse cryptografie-deskundige Matt Blaze over de Amerikaanse ‘wiretap report’ van 2010 (die van 2011 verschijnt hopelijk later deze maand).

Het is mij niet duidelijk geworden in hoeverre opsporingsdiensten in Nederland concreet
gehinderd worden door versleuteling. Ook ben ik benieuwd in hoeverre de nieuwe versie van het IP-protocol (IPv6) in de nabije toekomst mogelijk een probleem gaat vormen voor opsporingsdiensten. Wellicht zou de Nederlandse politie daar over wat meer kunnen zeggen naar voorbeeld van hun overzeese collega’s. In de Verenigde Staten probeert de FBI namelijk duidelijk te maken dat dit wel degelijk een probleem is. Zie daarover bijvoorbeeld dit interessante bericht op CNET.

Reactie Kamerleden

Van de reactie van Kamerleden had ik om eerlijk te zijn wel wat meer verwacht. Kamerlid El Fassed stuurde twee dagen voor het verschijnen van het rapport een viertal Kamervragen in. In mijn ogen maakt hij terecht een punt over het verschaffen van transparantie over het aantal vorderingen van gegevens bij sociale mediadiensten. Ik zie niet in hoe informatie over het aantal verzoeken tot gevolg kan hebben dat verdachten hun gedrag daarop zouden aanpassen, zoals staatssecretaris Teeven eerder heeft aangegeven.

Daarnaast stelt El Fassed de vraag of het niet verstandig zou zijn of voor het aftappen
van telefoons en sociale media door opsporingsautoriteiten dezelfde voorwaarden
moeten gelden. Blijkbaar is El Fassed of GroenLinks niet goed op de hoogte van de wetgeving. Sociale mediadiensten zijn (vooralsnog?) niet aftapplichtig; daar kunnen slechts gegevens worden gevorderd. Voor het vorderen van opgeslagen gegevens
(o.g.v. artikel 126ng lid 2 Sv) gelden verder dezelfde voorwaarden als voor een telecommunicatietap. Dit heb ik overigens ook uitvoerig uiteen gezet in mijn artikel over de internettap.

Persoonlijk vind ik het jammer dat een debat over de niet-aftapbaarheid van telecommunicatie en telecommunicatiediensten die zich soms aan de aftapplicht
lijken te onttrekken is uitgebleven. Wat mij betreft zijn dit ook belangrijke vragen waar over gediscussieerd moet worden.Wellicht biedt de toekomstige brief van Opstelten over
opsporingsbevoegdheden op internet hiervoor een mooie aanleiding.

Be Sociable, Share!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *