Eerste Cyber Security Beeld Nederland gepubliceerd

Op 23 december 2011 is het eerste ‘Cyber Security Beeld’ van Nederland gepubliceerd. In een rapport van GovCERT.nl worden de dreigingen van 2011 beschreven en in een begeleidende brief van de overheid wordt hier een reactie op gegeven en de concrete maatregelen beschreven die naar aanleiding daarvan genomen moeten worden. Hierbij is aangesloten op een overzicht van het relevante juridische kader met betrekking tot cyber security. Tenslotte heeft de nationale Cyber Security Raad nog een reactie gegeven op het eerste Cyber Security Beeld.

In dit bericht wordt geen overzicht gegeven van de grootste bedreigingen uit 2011 en ontwikkelingen zoals cloudcomputing en mobiele malware die de ICT veiligheid van Nederland bedreigen. GoverCERT.nl heeft dat net als voorgaande jaren prima in een rapport weergegeven en voor beveiligingsonderzoekers zou daar weinig nieuws in (moeten) staan. Wel wil ik ingaan op een aantal belangrijke toezeggingen in de brief door Minister worden gedaan en de overwegingen met betrekking tot strafrecht analyseren.

Brief minister
De begeleidende brief is grotendeels een opsomming van al genomen of nog te nemen maatregelen om de ICT veiligheid van Nederland te waarborgen. Bevestigd wordt bijvoorbeeld dat dat Defensie de kennis en capaciteiten moet ontwikkelen om offensieve handelingen te kunnen verrichten in het digitale domein. Ook wordt vrij diep in gegaan op de meldplicht datalekken. Zoals bekend hebben we al een Europese meldplicht en was het kabinet voornemens een algemene meldplicht in te voeren. Daarnaast is Kamerlid Hennis-Plasschaert met een meldplicht gekomen. Zie over de meldplicht die nu in consultatie is dit informatieve (en kritische) blogbericht van Dirk Zwager Advocaten. De Kamer zal vóór het zomerreces van 2012 geïnformeerd worden over de wijze waarop de meldplicht wordt ingericht.

Juridisch kader
Het juridische kader met betrekking tot cyber security is ‘slechts’ een overzicht van zo’n beetje alle wet- en regelgeving die er maar enigszins mee te maken heeft. Het is bijna 70 pagina’s groot en op zich worden de relevante artikelen uit bepaalde wetten prima beschreven. Aan de hand van dit (toch wel atypische) overheidsdocument trekt de Minister blijkbaar zijn conclusies. Op pagina 8 en 9 van de begeleidende brief gaat de Minister in op de vraag of het huidige juridisch kader voldoende bevoegdheden biedt waarmee de overheid ‘snel, kundig en dwingend’ kan optreden tegen een ‘cybercrisis’. De uitkomsten van het onderzoek naar aanvullende ‘interventiemogelijkheden’ van de overheid zullen ook vóór het zomerreces van 2012 aan de Kamer worden aangeboden. De term ‘cybercrisis’ en de potentiële handhavingsmogelijkheden zijn zo breed gehouden dat het onmogelijk is vast te stellen op welke inverventiemogelijkheden van welke instanties nu wordt gedoeld.

Ik kan vanuit mijn onderzoeksachtergrond alleen uitspraken doen over strafrecht en ik vind ten aanzien van de toepassing van de relevante bijzondere opsporingsbevoegdheden op internet men zich er wel heel gemakkelijk van heeft afgemaakt

Bijzondere opsporingsbevoegdheden
In het rapport worden de opsporingsbevoegdheden namelijk beschreven van een doorzoeking, het vorderen van gegeven, het opnemen van telecommunicatie en het ontoegankelijk maken van gegevens. Daarnaast wordt gewezen op enkele overige opsporingsbevoegdheden, zoals stelselmatige observatie, stelselmatige informatie-inwinning, de pseudokoop of -dienst en infiltratie. Deze bevoegdheden zouden anders dan de bovengenoemde opsporingmethoden, niet specifiek zien op digitale informatie, communicatie en gegevens en worden daarom verder niet behandeld.
Toevallig zijn dat nu precies de opsporingsmethoden waar ik op dit moment onderzoek doe en uitzoek en hoeverre die toepasbaar zijn op internet. Onderzoek op social media en stelselmatige informatie-inwinning zijn naar mijn mening juist niet meer weg te denken in een digitaal opsporingsonderzoek. En juist de reikwijdte van deze opsporingsbevoegdheden zijn nog niet uitgekristalliseerd. De vraag is overigens wel of nieuwe wetgeving nodig om digitaal opsporingsonderzoek te normen, het lijkt meer te gaan over de interpretatie van de reikwijdte van deze opsporingsbevoegdheden waarover rechters zich wellicht vaker moeten (kunnen?) uitspreken.

Jurisdictie
Met betrekking tot jurisdictie op internet worden de beginselen prima beschreven. De Minister merkt daar over op dat Nederland zich binnen het strafrecht dient te houden aan de regel dat rechtsmacht geldt als het misdrijf via een server in Nederland heeft plaatsgevonden. De regel uit Oostenrijk komt uit bestuursrecht en is niet één op één toepasbaar op het strafrecht in Nederland. Bovendien zou het in strijd kunnen zijn met internationaalrechtelijke afspraken. Ik moet mij hier nog meer in verdiepen, maar ik begrijp nog niet helemaal waarom aan deze ‘regel’ zo sterk wordt vastgehouden. Wel snap ik dat delicten een stuk makkelijker zijn op te sporen wanneer deze via infrastructuur in Nederland gefaciliteerd worden.

Wet computercriminaliteit III en de online doorzoeking
Niet onbelangrijk is dat de Minister heeft toegezegd vóór het zomerreces van 2012 mede te delen welke maatregelen m.b.t. het strafrecht, waaronder de noodzaak tot het regelen van een online doorzoeking, nodig zijn. Het lijkt er op dat het conceptwetsvoorstel versterking bestrijding computercriminaliteit (of Wet computercriminaliteit III) voorlopig niet naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Nationaal Cyber Security Centrum
Per 1 januari 2012 gaat het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) van start. De ambitie is om de ‘digitale weerbaarheid van de Nederlandse samenleving’ te vergroten. Die ambitie moet met 3 pijlers verwezenlijkt worden, namelijk:

1. het ontwikkelen en aanbieden van expertise en advies;
2. het ondersteunen en uitvoeren van response bij dreigingen of incidenten;
3. door versterking bij crisisbeheersing

GovCERT.nl zal met al haar huidige taken opgaan in het Centrum. Het Cyber Security Centrum bestaat verder uit het ‘ICT Response Board’ en een vertegenwoordiger van verschillende relevante overheidspartijen (o.a. AIVD, politie, OM, Defensie en het NFI). De overheid nodigt andere relevante private en publieke partijen uit om zich daarbij aan te sluiten, maar lijkt daarbij geen budget voor vrij te maken. Het idee is dat op deze manier expertise wordt ontwikkeld. De meerwaarde van het centrum zou ontstaan als informatie, kennis en expertise gericht wordt gedeeld tussen partners of door bundeling effectief kan worden ingezet (‘bijvoorbeeld tijdens een grote ICT-crisis’). Volgens Opstelten heeft daarbij ‘iedere partij haar eigen verantwoordelijkheid en zal het NCSC de verschillende partijen ondersteunen en faciliteren om deze verantwoordelijkheid op passende wijze in te kunnen vullen’. Ik heb geen idee wat deze zin concreet inhoudt. Wie het wel weet mag het zeggen!

Ten aanzien van punt 2 blijkt dat het centrum voor de overheid alleen ‘tweedelijns respons’ aanbiedt en voor vitale infrastructuren ‘derdelijns respons’. Eerstelijns respons zijn maatregelen door de eigen interne ICT-organisatie van instanties en/of externe bedrijven, tweedelijns respons zijn maatregelen door een overkoepelende, branche-gerichte ‘CERT’ en derdelijns respons is een aanvulling op tweedelijns respons, zoals ‘het inzetten van het NCSC als aanvulling op de incident response bij vitale sectoren (zoals bijstand door Surf Cert vanuit het NCSC)’.

Ten aanzien van punt 3 zal het Centrum het ‘ICT Response Board’ faciliteren. Dat wil zeggen dat tijdens een digitale crisis (nog onduidelijk is wat voor een crisis precies) een ICT Response Board wordt georganiseerd dat een advies moet brengen tot het nemen van maatregelen voor de nationale crisisstructuur. Het NSCS ondersteunt in de uitvoering van deze maatregelen, waarvan de procedures worden vastgelegd in het Nationaal Crisisplan ICT (NCP-ICT). Daarnaast verzorgt het NSCS de coördinatie van het bijeenbrengen van operationele informatie en het duiden daarvan tijdens een crisis.

Het centrum moet dus ook als een soort informatiehub fungeren. Publieke en private partijen moeten daarin de mogelijkheid krijgen informatie uit te wisselen (zie paragraaf 7 van de bijlage). Dat mag niet meer informatie zijn dan is toegestaan op basis van de relevante juridische kaders, maar wél vertrouwelijk en onder een convenant. Ik vraag mij af hoe daar controle op kan plaatsvinden en ik denk aan het gevaar voor privacy met vergelijkbare problematiek als bij Veiligheidshuizen. Zie daarover deze opinie.

Reactie Cyber Security Raad
De Raad herkent zich goed in het Cyber Security Beeld. Wel worden twee adviezen meegegeven. Ten eerste moet een ‘inventarisatie van digitale belangen van de overheid en het bedrijfsleven’ plaatsvinden, waarbij in de eerste plaats aandacht moet worden gegeven aan vitale infrastructuur. Zonder een goed begrip van de specifieke belangen is het namelijk moeilijk te komen tot een goede risicobeoordeling. Ook is het volgens de Raad noodzakelijk om te weten welke controlemechanismen en beveiligingsmaatregelen nu al bestaan, om vast te stellen wat nog ontbreekt en waar met prioriteit aanvullende maatregelen nodig zijn.

Ten tweede adviseert de Raad een ‘nadere kwantificering’ te maken van de ‘met dreigingen en kwetsbaarheden samenhangende risico’s, onder meer op grond van onderkende aanvallen op de digitale omgeving en pogingen daartoe’. Hierbij is uiteraard samenwerking met de private sector nodig om een volledig mogelijk beeld op te bouwen. Daarbij wordt zelfs de formule meegegeven van ‘kans maal impact’ (haha).

Conclusie
Meer dan het Cyber Security Centrum lijkt het ICT Response Board de grootste rol te spelen wanneer er écht een digitale crisis zich voordoet. Wel vraag ik mij af of een publiek-privaat samenwerkingsverband de beste manier is met die heel ernstige crisis om te gaan. Ook ben ik benieuwd aan welke nieuwe ‘interventiemogelijkheden’ de overheid overweegt en wanneer zij toegepast zouden kunnen worden. Vooralsnog lijkt de nadruk te liggen op aanvallen waarbij vitale infrastructuur op spel staat en maatschappelijke ontwrichting met zich mee brengt.

Het Cyber Security Centrum zelf vind ik verder vrij uniek qua opzet. In elk geval zijn de huidige taken van GovCERT.nl er in op gegaan, maar daar komen het uitvoeren van response bij dreigingen en crisis en het faciliteren van informatie-uitwisseling tussen publiek-private partijen bij. Met heel beperkte middelen moet het Centrum blijkbaar een spilfunctie krijgen waarbij partijen samen kunnen komen om informatie uit te wisselen. Maar blijft toch wel een heel andere benadering van het security probleem dan van het Verenigd Koninkrijk die een honderden miljoenen ponden beschikbaar stellen aan de GHCQ om als spilfunctie te fungeren en de veiligheid van de ICT-infrastructuur beter te waarborgen. Ik ben niet in de positie om te oordelen welke aanpak beter is, maar bij de eerste serieuze crisis zal de aanpak zich moeten bewijzen.