Nieuw rapport over kinderpornografie van de Rapporteur Mensenhandel

Vorige week (12 oktober 2011) werd het eerste rapport van de Nationaal Rapporteur
Mensenhandel Corinne Dettmeijer-Vermeulen over kinderpornografie gepubliceerd.
Het persbericht kopte met de wat schokkende titel: ‘Overheid schiet tekort in aanpak seksueel geweld tegen kinderen’. De kernboodschap van het 336 pagina tellende rapport is dat de aanpak van kinderpornografie onderdeel moet worden van de aanpak van
seksueel geweld en niet alleen het ministerie van Veiligheid en Justitie het beleid moet uitvoeren. In dit blogbericht wil ik kort stilstaan bij de aanbevelingen van het rapport en de passages met betrekking tot de opsporing van kinderpornografie. Ook plaats ik enkele kanttekeningen bij het rapport.

Volledig rapport

Het rapport vind ik zeer volledig en van goede kwaliteit. De wetsgeschiedenis en de
totstandkoming van het beleid van de aanpak van kinderpornografie wordt goed
beschreven. Ook wordt stilgestaan bij vrij recente ontwikkelingen zoals ‘grooming’
(het benaderen van minderjarigen via internet voor seksuele doeleinden), ‘sexting’
(waarbij adolescenten naakfoto’s van elkaar verspreiden) en de problematiek bij de opsporing en vervolging van kinderpornografie dat bijvoorbeeld cloud-computing met zich mee brengt. Het vormt dan ook een mooi naslagwerk voor mensen die iets van kinderpornografie, regelgeving en het beleid willen weten en laat zien dat op gedegen wijze is gewerkt naar het voornaamste doel van het rapport: het geven van aanbevelingen voor een effectievere aanpak van kinderpornografie.

Bewonderenswaardig is dat in het rapport uitgebreid wordt stilgestaan bij het slachtofferschap van kinderpornografie en dat daar maar aandacht voor moet komen. Het beschermen van kinderen is uiteindelijk waar de bestrijding van kinderpornografie om gaat het en ik vind de nieuwe ‘slachtoffergerichte benadering’ waartoe al eerder door
politie en OM heeft besloten zeer juist. Ook is er aandacht voor hulp- en
zorgverlening voor de daders, wat soms in de discussie over kinderpornografie wel eens vergeten wordt.

Wel kwam het soms wel op mij over dat in het rapport altijd van de ergste vormen
van kinderpornografie wordt uitgegaan (steevast wordt gesproken van ‘seksueel
geweld tegen kinderen’), terwijl onder kinderpornografie ook naaktfoto’s worden
verstaan die pubers onder elkaar versturen en virtuele kinderpornografie waarbij het nu de vraag is of daar ook tekeningen en schilderijen onder moet worden verstaan. Virtuele kinderpornografie is een onderwerp dat wat mij betreft meer aandacht had moeten krijgen in het rapport en afgevraagd kan worden of deze vormen van kinderporno op hetzelfde niveau moeten worden geplaatst.

Aanbevelingen

De kernboodschap uit het rapport is dat een louter repressieve aanpak van kinderpornografie niet wenselijk is. Preventie, signalering en registratie, nazorg voor daders, hulpverlening aan slachtoffers en samenwerking met private partijen zijn essentieel voor een effectieve aanpak van kinderpornografie. Het ministerie van Veiligheid en Justitie en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport moeten hun aanpak van kinderpornografie beter op elkaar afstemmen en samenwerking moet worden gezocht met andere betrokken overheden, instanties en professionals. Zie pagina 270 t/m 278 van het rapport voor een volledig overzicht van aanbevelingen per onderdeel. Ik ga iets verder in op de aanbeveling ten opzichte van het onderdeel ‘opsporing’, aangezien ik daar zelf onderzoek naar heb gedaan en dat nog steeds doe in het kader van de bestrijding van cybercrime.

De focusverlegging van downloader naar vervaardiger en identificatie van het slachtoffer  komt nog nauwelijks van de grond. De nieuwe organisatiestructuur zou volgens de rapporteur hier verandering in kunnen brengen. De extra capaciteit die Opstelten heeft beloofd is daarbij essentieel. De dadergerichte aanpak van het Team High Tech Crime en de slachtoffergerichte aanpak van het Team Beeld en Internet zouden
samengevoegd moeten worden, zodat de digitale competenties kunnen samengaan met
zedenexpertise. Vooral ‘dadernetwerken dienen volledig onderzocht te worden, waarbij men ook oog moet hebben voor de op afbeelding seksueel misbruikte kinderen’.

Kanttekeningen

Ik was verheugd te zien dat er één keer naar mijn eigen scriptie / boek werd verwezen en een belangrijk onderzoeksresultaat werd benadrukt: namelijk dat de meeste strafzaken om bezitters gingen en de aanpak vooral gericht moet zijn op de high-tech crime daders in plaats van ‘eenvoudige downloaders’. Dat is belangrijk omdat de focus op de downloaders ten koste gaat van de aandacht voor kindermisbruikers, vervaardigers en commerciële verspreiders, maar ook ten koste van aandacht voor de slachtoffers (dit laatste voegt de Rapporteur er terecht aan toe).

In het rapport wordt uiteengezet dat die focusverschuiving heel lastig te realiseren is wegens capaciteitsproblemen. Er zou simpelweg geen tijd zijn de arbeidsintensieve bijzondere opsporingsmiddelen in te zetten. Infiltratie zou bovendien geen optie zijn, omdat daarvoor het vereiste redelijk vermoeden van schuld niet aanwezig zou zijn en nieuw materiaal moet worden aangeleverd. De politie zou dan actief moeten meewerken met het opnieuw in omloop brengen van materiaal en dat zou (ethisch gezien?) onacceptabel zijn. Opstelten heeft in zijn brief van 10 juni 2011 ook al aangegeven dat met proactieve opsporing de werkvoorraad verveelvoudigd zou kunnen worden en vooral buitenlandse slachtoffers en daders zouden worden opgespoord.

Ik val een beetje in herhaling, maar ik ben van mening dat met de inzet van BOB-middelen op internet juist direct op verspreiders of vervaardigers van kinderporno in netwerkverband kan worden gericht. Uit het opsporingsonderzoek zal dan blijken of daar ook Nederlandse daders of slachtoffers zijn bij betrokken. Het probleem dat de politie voor van te voren niet weet of het een bezitter, verspreider of vervaardiger betreft geldt hier in mindere mate. Het niet-aanwezig zijn van een redelijk vermoeden van schuld betwijfel ik en dit is bij vroegsporing niet eens noodzakelijk. Ook betwijfel ik of in elk mogelijke infiltratietraject nieuw materiaal moet worden aangeleverd en vraag ik mij of
dat inderdaad onacceptabel is. Het materiaal is immers al in omloop. Wellicht zou de Centrale Toetsingscommissie die afweging kunnen maken.

Geen woord wordt verder gerept over de onmogelijkheid van pseudokoop of stelselmatige informatie-inwinning op internet. Volgens mij is de inzet van bijzondere
opsporingsmiddelen op internet dé manier om de ‘dadergerichte aanpak van het High Tech Crime Team’ te bewerkstelligen. Dit is ook wat door de Rapporteur wordt gepropageerd, maar de conclusie dat daarvoor proactieve opsporing noodzakelijk is wordt niet expliciet gemaakt. Wat mij betreft moet de inzet van BOB-middelen op internet daarom nadrukkelijker overwogen worden.

Conclusie

Volgens de rapporteur is alleen het vervolgen van kinderpornografiegebruikers niet
voldoende. Preventie, signalering, nazorg voor en toezicht op zedendeliquenten, en publiek-private samenwerking ter bestrijding van kinderpornografie moeten onderdeel zijn van de algehele aanpak van kinderpornografie.

Zelf ben ik zeer te spreken over de aanbeveling ook te leren van de high tech aanpak van het Team High Tech Crime. Keer op keer wordt duidelijk dat kinderpornogebruikers veel van technologie gebruiken maken en zich in de krochten op het internet begeven om het meest extreme materiaal uit te wisselen. Daarom vind ik het jammer dat proactieve opsporing van kinderpornografie met BOB-middelen zo gemakkelijk wordt afgedaan en wordt het een stuk moeilijker daadwerkelijk de focusverschuiving van bezitters naar vervaardigers te bewerkstelligen. Hopelijk draagt de nieuwe organisatiestructuur en de aanbevelingen van de Rapporteur bij aan een betere aanpak van kinderpornografie.

Be Sociable, Share!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *