Yahoo-zaak wordt verkeerd begrepen

Vorige week las ik een blogbericht naar aanleiding van het vonnis van het hof van Gent over de Belgische Yahoo-zaak van 30 juni 2010. In 2009 was Yahoo door de Belgische rechtbank van Dendermonde veroordeeld tot een boete van 55.000 euro en een dwangsom van 10.000 euro per dag voor het niet-nakomen van een vordering van de Belgische officier van justitie tot verstrekking van de IP-adressen van Yahoo-webmailgebruikers. Deze vordering was gebaseerd op artikel 46bis van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met als het Nederlandse equivalent artikel 126na Sv. Op basis van dit artikel kunnen identificerende gegevens van een communicatieaanbieder worden gevorderd. Anders dan sommige nieuwsberichten doen vermoeden is het grote nieuws niet dat Yahoo niet als communicatieaanbieder wordt aangemerkt en daardoor de boete niet hoeft te betalen.

Wat deze zaak zo bijzonder maakt is dat de vordering rechtsreeks aan Yahoo werd gedaan in plaats van via de Amerikaanse rechter en Yahoo vervolgens door de rechtbank van Dendermonde werd gedwongen aan de vordering te voldoen. Dat blijkt duidelijker uit dit bericht. Normaal gesproken gaan we er namelijk vanuit dat Amerikaanse bedrijven zoals Yahoo, Facebook en Google in de Verenigde Staten gevestigd zijn. Indien er een misdrijf op Nederlands grondgebied voorkomt en politie en justitie hebben gegevens nodig van één van deze bedrijven dan zal het OM een rechtshulpverzoek aan de Verenigde Staten moeten doen met het verzoek tot verstrekking van de opgevraagde gegevens. De bedrijven zijn daar namelijk fysiek gevestigd en naar verluidt staat de infrastructuur van de bedrijven die de diensten mogelijk maken ook in de VS. Het verzoek moet uiteraard wel op een Nederlandse grondslag gebaseerd worden. Hier ging het om het IP-adres dat werd vastgelegd ten tijde van het aanmaken van een account en dit is een identificerend gegeven dat gevorderd kan worden op basis van artikel 126na Sv bij een communicatieaanbieder en 126nc Sv bij ieder ander bedrijf. Vervolgens beslist de Amerikaanse rechter op basis van Amerikaans recht of het bedrijf aan het vonnis in die situatie moet voldoen.

Het hof van Gent oordeelde dat Yahoo geen aanbieder van een communicatiedienst is zoals bedoeld in de Belgische wet. De vordering geschiedde dus op de verkeerde grondslag en Yahoo hoeft de betalingen dus niet meer te verrichten. In overweging 18 onderdeel g stelde zij verder vast dat Yahoo evenmin een fysieke vestiging in België had of daar werknemers in dienst had. Bovendien behoorden de IP-adressen toe aan buitenlandse webmailgebruikers. De vordering had wel op de Belgische equivalent van artikel 126nc Sv gebaseerd kunnen worden, maar niet rechtstreeks kunnen worden gedaan, omdat Verenigde Staten jurisdictie heeft. België had dus geen jurisdictie en het OM had de vordering niet rechtstreeks mogen doen.

Het échte nieuws is dat het een zware tegenvaller is voor opsporingsdiensten dat het verzoek tot verstrekking van de gegevens niet rechtstreeks aan bedrijven zoals Yahoo kan worden gedaan. Een Nederlandse rechter in deze situatie hoogstwaarschijnlijk hetzelfde geoordeeld en daarom is de Belgische uitspraak ook voor Nederland interessant. Het sprankje hoop van de politie en het OM om veel tijd en moeite te besparen en bovendien niet meer afhankelijk te zijn van de Amerikaanse rechter in dit soort zaken is nu verloren. Maar wie weet gaat het Belgische OM nog in cassatie en is dit hoofdstuk nog niet afgesloten. 

 == Update ==

Inmiddels is bekend geworden dat het Belgische OM in cassatie is gegaan bij het Hof van Cassatie. De uitspraak is hier te vinden. Op een later moment zal ik hier uitvoeriger over schrijven. 

Be Sociable, Share!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *